Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Mifsud/Maltahet volgende overwogen:
Pascaud, cited above, § 65, and
Jäggi, cited above, § 40)’. [8]
Pascaud/Frankrijkoverwogen dat een kind zijn recht om zijn afstamming te kennen niet kan worden ontzegd met een enkel beroep op de bescherming van belangen van de vader. [11]
Mikulić/Kroatiëgeoordeeld dat art. 8 lid 1 EVRM Pro is geschonden in een geval waarin de rechter medewerking aan DNA-onderzoek had bevolen, maar waarin de nationale wet geen mogelijkheid bood om medewerking aan dat onderzoek af te dwingen. [13] In de zaak
Mifsud/Maltaheeft het EHRM geoordeeld dat een verplichting om mee te werken aan DNA-onderzoek geen schending van art. 8 lid 1 EVRM Pro oplevert. Het EHRM heeft daarvoor mede van belang geacht dat deze verplichting werd opgelegd in een gerechtelijke procedure waarin de man werd bijgestaan door een advocaat van zijn keuze en zijn rechten op verdediging niet minder geëerbiedigd zijn dan de rechten van het kind. Volgens het EHRM is in de gerechtelijke procedure een eerlijke afweging van de belangen van beide partijen gemaakt. [14] De zaak
Odièvre/Frankrijkbetrof het geval waarin de Franse autoriteiten hadden geweigerd om een vrouw, die in 1965 anoniem ter wereld was gekomen (dat wil zeggen dat de identiteit van haar moeder geheim werd gehouden), informatie te verstrekken aan de hand waarvan haar moeder kon worden geïdentificeerd. Het EHRM heeft overwogen dat de Franse wetgeving die anonieme geboortes destijds mogelijk maakte, mede tot doel had te voorkomen dat kinderen werden geaborteerd of te vondeling werden gelegd. De Franse staat had de grenzen van zijn beoordelingsmarge bij het afwegen van de verschillende zwaarwegende belangen niet overschreden, aldus het EHRM. [15] Hier leverde een weigering om informatie te verstrekken dus geen schending van het recht van het kind op.
Valkenhorst Iuit 1994 een verdergaand standpunt ingenomen dan uit de rechtspraak van het EHRM volgt. [16] Het ging in die zaak om het volgende. In 1935 was eiseres als buitenechtelijk kind geboren in 'Moederheil', een destijds door rooms-katholieke religieuzen gedreven inrichting met als doelstelling het verlenen van zorg en begeleiding aan ongehuwde moeders en hun kinderen. Eiseres heeft afgifte gevorderd door Valkenhorst – de rechtsopvolgster van Moederheil – van de informatie die destijds door haar moeder was verstrekt omtrent haar vader. Valkenhorst heeft dit geweigerd, omdat de moeder daartoe geen toestemming had gegeven. Het hof heeft de vordering afgewezen. In cassatie heeft de Hoge Raad overwogen dat uitgangspunt is het recht om te weten van welke ouders men afstamt (rov.3.3), maar dat, in lijn met de rechtspraak van het EHRM, het recht van een kind op afstammingsinformatie niet absoluut is:
Valkenhorst I– het vitale belang van het kind om kennis te hebben van zijn afstamming te prevaleren. Deze voorrang wordt eveneens daardoor gewettigd dat de vader (de verwekker) in de regel verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van het kind.
Valkenhorst Igeen betrekking had op het afgeven van DNA-materiaal. Anders dan het geven van mondelinge of schriftelijke informatie vormt het afgeven van DNA-materiaal een inbreuk op de lichamelijke integriteit in het geval dat de betrokkene daarmee niet zelf instemt (zie de eerder vermelde rechtspraak van het EHRM). Dit is ook door de Hoge Raad erkend in een beschikking van 22 september 2000 die betrekking heeft op de voorwaarden waaronder een bevel kan worden gegeven om DNA-materiaal af te staan om vaderschap op grond van art. 1:207 BW Pro vast te stellen. [18] De Hoge Raad heeft overwogen dat daarvoor voldoende is dat de betrokken man de vader
kanzijn, gelet op de in de procedure gebleken feiten en omstandigheden. Op grond daarvan kan de rechter oordelen dat de inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de man gerechtvaardigd is, aldus de Hoge Raad. In deze situatie lijkt dus meer ruimte te bestaan voor een afweging van de betrokken belangen dan in de situatie die voorlag in de zaak
Valkenhorst I: de rechter ‘kan’ oordelen dat de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de man gerechtvaardigd is en beschikt daarbij dus over beoordelingsvrijheid. Medewerking aan DNA-onderzoek kan overigens niet worden afgedwongen (hoewel daarvoor wel wordt gepleit). [19] Wel kan de rechter aan een weigering om mee te werken de gevolgtrekking verbinden die hij geraden acht. [20]
Valkenhorst Iweliswaar eveneens voorop dat een belangenafweging dient plaats te vinden, maar bij de afweging tussen het belang van het kind op afstammingsinformatie enerzijds en het recht van de ouder om die informatie verborgen te houden anderzijds, prevaleert het belang van het kind. De vraag is of dit ook het geval is wanneer medewerking aan DNA-onderzoek wordt gevorderd. In dat geval gaat het immers niet uitsluitend om het recht van de ouder om informatie verborgen te houden, maar ook om zijn of haar recht op bescherming van de lichamelijke integriteit.
Mifsud/Maltageoordeeld dat gedwongen medewerking aan een DNA-test niet in strijd is met art. 8 lid 1 EVRM Pro, wanneer dit (kort gezegd) wordt bevolen in een gerechtelijke procedure die aan de daaraan te stellen eisen voldoet. [36] Er zijn uiteraard altijd situaties denkbaar waarin de inbreuk die een DNA-test maakt op de lichamelijke integriteit niet gerechtvaardigd is. Het belangrijkste lijkt mij dat in die afweging het belang van het kind op afstammingsinformatie in beginsel doorslaggevend is, zodat er sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden om tot een andere conclusie te komen. Verder moet het belang van het kind bij afstammingsinformatie worden verondersteld, zodat van het kind niet mag worden geëist dat dit belang nader wordt geconcretiseerd. Dit is in lijn met de huidige opvattingen over het recht op afstammingsinformatie, zoals onder meer neergelegd in de Wdkb. Dit strookt ook met het principiële standpunt van de Hoge Raad in de zaak
Valkenhorst I,waarin werd overwogen dat van de ouder kan worden verwacht dat hij of zij openheid van zaken geeft over de afstamming van een kind, omdat hij of zij daarvoor doorgaans mede verantwoordelijk is. Ik citeer in dit verband nog de opmerking van J. de Boer in zijn
NJ-noot bij het arrest
Valkenhorst II:
onderdelen 2.1.1-2.1.4heeft het hof miskend dat op een man van wie aannemelijk is dat hij de verwekker is van een kind, in beginsel de verplichting rust het kind over zijn afstamming te informeren en zo nodig aan DNA-onderzoek mee te werken, behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan niet is gebleken. De omstandigheden die het hof in rov. 3.9-3.12 aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, kunnen die beslissing niet dragen. Het hof heeft onder meer miskend dat de last die iemand ondervindt door zich aan DNA-onderzoek te onderwerpen zeer gering is.
Onderdeel 2.1.6sluit hierbij aan met de klacht over de weging van de belangen die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, met name over de overweging van het hof in rov. 3.11 dat voor [eiser] ‘zijn ontstaansgeschiedenis geen onduidelijkheid heeft opgeleverd’. Volgens het onderdeel is dit onverenigbaar met de vaststelling dat [verweerder] het vaderschap blijft ontkennen.