ECLI:NL:PHR:2005:AT2623
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke rente bij verdeling huwelijksgemeenschap en overbedeling
In deze zaak gaat het om de verdeling van de huwelijksgemeenschap tussen een man en een vrouw na hun echtscheiding. De rechtbank had eerder een partiële verdeling vastgesteld waarbij de man aan de vrouw een bedrag moest betalen wegens overbedeling. Het hof stelde in een eindbeschikking in 2003 aanvullende bedragen vast die de man aan de vrouw moest voldoen en oordeelde dat de man vanaf 30 maart 2001 wettelijke rente verschuldigd was over zowel de eerder als later vastgestelde bedragen.
De man stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat wettelijke rente pas verschuldigd kan zijn vanaf het moment dat de vordering opeisbaar is geworden, namelijk na de definitieve vaststelling van de bedragen door het hof in 2003. De Hoge Raad overweegt dat de verplichting tot betaling wegens overbedeling ontstaat uit de rechterlijke uitspraak die de verdeling vaststelt. Wettelijke rente is slechts verschuldigd vanaf het moment dat de schuldenaar in verzuim is, wat in beginsel volgt na ingebrekestelling of het verstrijken van een betalingstermijn.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof dat wettelijke rente vanaf 30 maart 2001 verschuldigd is over de in 2003 vastgestelde bedragen. De rente is pas verschuldigd vanaf het moment dat deze bedragen opeisbaar zijn geworden. De zaak wordt afgedaan met de bepaling dat de man wettelijke rente verschuldigd is vanaf 30 maart 2001 alleen over het bedrag dat de rechtbank in 2001 had vastgesteld, verminderd met het reeds betaalde voorschot.
Uitkomst: De Hoge Raad bepaalt dat wettelijke rente pas verschuldigd is vanaf het moment dat de betaling opeisbaar is, en vernietigt het oordeel van het hof dat rente vanaf 30 maart 2001 over later vastgestelde bedragen verschuldigd is.