Conclusie
1.De feiten
f250.000, =.
2.Het procesverloop
De kort geding-procedure die aan de onderhavige procedure vooraf is gegaan
€871.500,--. Hieruit volgt dat de waarde niet is gedaald door de sloop van de stallen, zodat de gehele afbraaksubsidie is aan te merken als een nagekomen bate. Dit is ook door de deskundigen gemotiveerd. Het object bleef als burgerobject in stand. Ten onrechte meent [de man] dat met de mestrechten ook de RBV-subsidie aan hem is toegedeeld door de toedeling van de onroerende zaak [c-straat 1] . Ook is geen sprake van een compensatie voor het doen van afstand van verdiencapaciteit. De stelling van [de man] dat hij [c-straat 1] voor € 260.000,-- heeft verkocht is niet juist. Voor dit bedrag heeft hij op 20 juli 2005 de onroerende zaak aan zijn echtgenote verkocht, maar toen was al duidelijk dat deze aan [betrokkene 1 en 2] verkocht zou worden. [c-straat 2] had [betrokkene 1 en 2] toen reeds gekocht. Het perceel [c-straat 1] is op 12 december 2005 aan [betrokkene 1 en 2] geleverd tegen een koopsom van € 435.000,--. [de vrouw] betwist dat [de man] € 65.000,-- aan kosten heeft gemaakt. Bovendien heeft hij een sloopsubsidie ontvangen. Deze vergoeding voldeed om de kosten te dekken. Ter zake van de RBV-subsidie is geen inkomstenbelasting verschuldigd.
definitieverapport. Dit spreekt ook voor zich, nu een gerechtelijke instantie geen consequenties verbindt aan een conceptrapportage. De conclusie die [de man] hieraan verbindt kan dan ook niet gevolgd worden. De definitieve rapportage is het uitgangspunt van het gerechtshof geweest en vormt daarom ook voor de rechtbank thans de basis van haar beslissing.
Rente RBV-subsidie”) heeft de vrouw, zakelijk weergegeven, aangevoerd:
Wettelijke rente”) heeft de vrouw aangevoerd, kort gezegd, dat zij er belang bij heeft dat de man niet alleen wordt veroordeeld alle daar genoemde bedragen te betalen, maar ook wordt veroordeeld te betalen de wettelijke rente over de aan de vrouw toe te wijzen bedragen vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis. Dit laatste komt tot uitdrukking op p. 6 onder nrs. 3-4 van die akte.
Grief I
“De omstandigheid dat bij een verdeling één of meer goederen zijn overgeslagen heeft alleen ten gevolge dat daarvan een nadere verdeling kan worden gevorderd”.
Uit het samenstel van de beschikking en het deskundigenbericht niet anders kan worden afgeleid dan dat tot de gemeenschap een afbraaksubsidie behoort”. Vooraleerst is hetgeen de deskundigen ter zake hebben opgemerkt al niet eenduidig maar bovendien waren zij niet geroepen om claims van geïntimeerde juridisch te duiden. Wat het Hof aangaat: in de beschikking van 23 november 2004 is niets terug te vinden van wat de Rechtbank daarin zoekt. Die had dit punt dan ook zelfstandig moeten beoordelen.”
Grief II
Het gehomologeerde akkoord is verbindend voor alle geen voorrang hebbende schuldeisers, zonder uitzondering, onverschillig of zij al dan niet in het faillissement opgekomen zijn.
Terecht heeft de rechtbank de vruchten van de nagekomen bate (2 % rente per jaar over het tegoed) meegenomen in de verdeling en de man veroordeeld om wettelijke rente te betalen”:
productie 94een overzicht van de gemiddelde spaarrentes in Nederland ondermeer in de periode van 22 december 2005 tot medio 2013. Hieruit blijkt dat de gemiddelde spaarrente ruimschoots 2% per jaar beliep.
- Indien de aanvraag RBV betrekking heeft op de varkensrechten en afbraaksubsidie dan kan er een nog te verdelen meerwaarde in de boedel ontstaan. De hoogte hiervan is op dit moment niet bekend.
Gelet op vorenstaande heeft [de vrouw] een vordering op [de man] in verband met de RBV-subsidie”. En dat betekent dat alle concurrente schuldeisers, ook als zij hun vordering niet bij de curator in het faillissement hebben ingediend, zoals [de vrouw] , gebonden zijn aan het akkoord dat [de man] in zijn faillissement heeft aangeboden en dat door de homologatie van het aangeboden akkoord op 29 juni 2007 is geëindigd.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
pagina 21” van een rapport niet voldoende is om “
ook iets anders” als ‘overgeslagen’ gemeenschappelijk goed in aanmerking te nemen dan wat het Bossche hof daadwerkelijk als zodanig in behandeling neemt. Kennelijk en terecht, aldus de man, heeft het Bossche hof toen geoordeeld “dat wat er zij van de RBV-opkoopregeling, die
nietonder artikel 3:179 BW Pro valt en dus ook niet onder het tweede lid daarvan, omdat die op de datum van ontbinding van de gemeenschap, te weten 15 april 1998, eenvoudig nog niet bestond”.
beslissingheeft genomen”. De “enkele verwijzing in een rechterlijke [overweging] [31] naar een
paginauit een deskundigenbericht in de context van
mestproductierechtenomvat geen bindende (eind)beslissing over een geschil ter zake van de RBV-opkoopregeling”.
Er is door het gerechtshof, met verwijzing naar pagina 21 van het deskundigenbericht, over deze uitkering al een beslissing gegeven. De rechtbank leest, zoals overwogen, deze beslissing aldus dat deze uitkering in de verdeling betrokken dient te worden.” [onderstreping A-G]
vorderingvan de vrouw op de man die zij ter verificatie in dat faillissement had moeten aanmelden en ook
heeftaangemeld.” Dat is volgens de man niet anders als art. 3:179 lid 2 BW Pro wel van toepassing zou zijn.
nietter verificatie hebben ingediend”, wat meebrengt dat, als de vrouw een vordering op de man zou hebben, zij niet langer tot invordering daarvan kan overgaan.
NJ2018/290.
de betaling van de RBV-subsidie(die, via de verpanding van de RBV-subsidie aan de Rabobank, door de staat is uitgekeerd aan [betrokkene 1 en 2] ) [46] in het vermogen
van de manis terechtgekomen waardoor de RBV-subsidie geen onverdeeld gemeenschappelijk goed in de zin van art. 3:179 lid 2 BW Pro meer zou zijn, ook niet als daarop het etiket ‘vermenging’ wordt geplakt, nu daarvan niet op rechtens relevante wijze sprake is. Deze betaling is immers gedaan aan een derde ( [betrokkene 1 en 2] ) en terechtgekomen in díens vermogen (dat een ander vermogen is dan dat van de man), terwijl het daaropvolgende tenietgaan van een schuld van de man aan die derde, zo daarvan al sprake is, niet meebrengt dat deze betaling over die band alsnog in het vermogen van de man is terechtgekomen. Dat die schuld betrekking had op een in 2004 bij beschikking van het Bossche hof aan de man toegescheiden woning ( [c-straat 1] te [plaats] ), zoals nr. 2.2.5 opbrengt, doet aan het voorgaande niet af.
The mind boggles.
vruchten van de nagekomen bate” (gekweekte rente op de gerealiseerde RBV-subsidie), door de vrouw gesteld op 2% (spaar)rente per jaar over het relevante bedrag met ingang van 22 december 2005 tot veertien dagen na betekening van het eindvonnis. Dit alles te onderscheiden van de vordering van de vrouw inzake veroordeling van de man tot betaling van
wettelijkerente over al hetgeen aan de vrouw wordt toegewezen, waaronder het voorgaande,
vanafveertien dagen na betekening van het eindvonnis.
toedelingdaarvan aan
haar(in welk geval er ter zake logischerwijs geen ‘onderbedelingsvordering’ van de vrouw op de man zou zijn), niet aan de man (zoals de rechtbank vervolgens wel beslist, in rov. 4.25). Zie nrs. 2.2-2.8 hiervoor.