ECLI:NL:PHR:2005:AT3348
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omgangsregeling en schorsingsverzoek in echtscheidingsprocedure met gezags- en omgangsgeschil
Partijen zijn gehuwd geweest en hebben een dochter, waarbij de man sinds oktober 2000 de gezamenlijke woning heeft verlaten en sindsdien beperkt contact met het kind heeft gehad. De vrouw heeft meerdere malen mishandeling en stalking door de man gemeld, evenals beschuldigingen van seksueel misbruik jegens het kind, welke door de man worden ontkend.
In de echtscheidingsprocedure is een omgangsregeling vastgesteld door de rechtbank en later gewijzigd door het hof. De vrouw heeft tegen deze regeling bezwaren ingebracht, met name vanwege de vermeende misbruikbeschuldigingen. Het hof heeft deze bezwaren niet aannemelijk geacht en de omgangsregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Tevens werd een onderzoek door de stichting FORA bevolen, maar dit leidde niet tot uitstel van de beslissing.
De man vorderde in kort geding nakoming van de omgangsregeling, hetgeen door de voorzieningenrechter en het hof werd toegewezen. De vrouw stelde zich hiertegen op het standpunt dat nakoming strijdig zou zijn met lopende procedures en eerdere besluiten, maar deze bezwaren werden verworpen.
In cassatie zijn de klachten van de vrouw gericht op het feitelijke oordeel van het hof en de vermeende schending van procedurele rechten, waaronder het niet afwachten van het FORA-onderzoek en de wijze van omgang met herstelcontacten. De Hoge Raad oordeelt dat het hof binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, dat de klachten onvoldoende grond bieden voor vernietiging en dat het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring niet gerechtvaardigd is.
De cassatieberoepen worden verworpen en de kosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en wijst het verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring af.