ECLI:NL:PHR:2005:AT3445
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring grootouders in verzoek tot wijziging voogdij vanwege wettelijke beperkingen en belang van het kind
In deze zaak gaat het om een verzoek van grootouders om de voogdij over hun kleinkind te verkrijgen in plaats van Bureau Jeugdzorg Gelderland (BJG), die de voogdij uitoefent. De grootouders baseren hun verzoek mede op het recht op gezinsleven zoals beschermd door art. 8 EVRM Pro en artikelen 8, 20 en 27 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
De rechtbank en het hof hebben geoordeeld dat de wet geen voorziening kent voor een wijzigingsverzoek van grootouders in de voogdij, behalve in bijzondere gevallen zoals fusie of splitsing van de voogdijrechtspersoon. Het hof verklaarde de grootouders niet-ontvankelijk en wees hun verzoek af, waarbij het belang van het kind en de hechting aan het pleeggezin zwaar wogen.
De grootouders stelden dat deze niet-ontvankelijkverklaring hun recht op gezinsleven schond. De Hoge Raad overweegt dat het recht op gezinsleven tussen grootouders en kleinkinderen weliswaar beschermd kan zijn, maar niet gelijk is aan dat van ouders en dat het belang van het kind prevaleert. De Hoge Raad bevestigt dat de wettelijke regeling die wijziging van voogdij door grootouders niet toestaat, niet in strijd is met art. 8 EVRM Pro, omdat het belang van het kind wordt beschermd.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft meegewogen dat het kind een veilige hechting heeft met de pleegouders en dat terugplaatsing bij de grootouders niet in het belang van het kind is. Het beroep van de grootouders wordt verworpen, waarmee de bestreden beschikking in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de grootouders wordt verworpen en zij worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot wijziging van de voogdij.