ECLI:NL:PHR:2005:AT4070
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over formele rechtskracht van bestuursdwangbesluit na vernietiging bezwaarbesluit
In deze zaak staat centraal of de burgerlijke rechter moet uitgaan van de formele rechtskracht van een primair bestuursdwangbesluit nadat de bestuursrechter het tegen het bezwaar gerichte besluit heeft vernietigd, maar het bestuursorgaan geen nieuw besluit heeft genomen.
De feiten betreffen een bestuursdwangbesluit van 19 april 1995 aan eiser opgelegd wegens overtreding van milieuregels. Het bezwaarbesluit van 11 oktober 1995 werd door de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigd wegens onvoldoende motivering van de begunstigingstermijn. De gemeente nam geen nieuw besluit en eiser nam geen rechtsmiddelen tegen het uitblijven daarvan. De bestuursdwang werd op 3 september 1996 geëffectueerd.
De rechtbank en het hof oordeelden dat het primaire besluit formele rechtskracht had gekregen omdat geen nieuw besluit was genomen en geen beroep tegen het uitblijven daarvan was ingesteld. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst dat het niet aanwenden van rechtsmiddelen tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op bezwaar niet betekent dat het primaire besluit onrechtmatig is zolang het niet is vernietigd.
De Hoge Raad gaat ook in op de uitleg van een brief van eiser waarin hij stelde dat een nieuw besluit niet zinvol zou zijn, en concludeert dat de gemeente dit als intrekking van het bezwaar mocht opvatten. Bovendien is de stelling dat de effectuering van bestuursdwang te vroeg plaatsvond verworpen omdat deze na de begunstigingstermijn van twaalf maanden plaatsvond.
De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen, waarmee de formele rechtskracht van het primaire besluit en de rechtmatigheid van de bestuursdwang worden bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het primaire bestuursdwangbesluit wordt geacht formele rechtskracht te hebben gekregen.