ECLI:NL:PHR:2005:AT4071
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis en vereisten daad van bekendheid
In deze zaak staat de ontvankelijkheid van eiser tot cassatie centraal, die verzet instelde tegen een verstekvonnis van de rechtbank Breda. Het geschil betreft de vraag of eiser een daad heeft verricht waaruit noodzakelijk volgt dat het verstekvonnis hem bekend was, en of hij tijdig verzet heeft ingesteld binnen de wettelijke termijn.
De feiten betreffen een verstekvonnis van 22 augustus 2000 waarin besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van TFIS nietig werden verklaard. Eiser stelde dat hij het vonnis niet persoonlijk had ontvangen en de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, waardoor de verzettermijn niet was gaan lopen. TFIS betwistte dit en wees op een conclusie van antwoord in een andere procedure waarin eiser verklaarde op de hoogte te zijn van het verstekvonnis.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de vereisten van art. 81 Rv Pro. oud, waarbij een daad van bekendheid vereist is die een objectief waarneembaar teken geeft dat de veroordeelde het vonnis kent. Bekendheid moet blijken uit een daad van de veroordeelde zelf, niet slechts van diens raadsman, hoewel aan de daad van de raadsman in het algemeen een daad van de veroordeelde voorafgaat. Het enkel ter ore komen van het vonnis is onvoldoende.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug, omdat het hof ten onrechte aannam dat het aanhoren van het vonnis als een daad van bekendheid van eiser kon worden beschouwd. Het aanvangsmoment van de verzettermijn moet objectief worden vastgesteld en mag niet afhankelijk zijn van subjectieve omstandigheden. De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug vanwege onvoldoende vaststelling van een daad van bekendheid door eiser zelf.