Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Blijkens het betekeningsexploot van het oproepingsbericht van 2 januari 2020 is [betrokkene 1] overleden op 17 april 2019 en zijn de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1] de verweerders in cassatie.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Bij navraag bij de rechtbank (...) er achter” is gekomen dat op 16 november 2016 verstekvonnis tegen [eiseres] is gewezen. De door mr. Van Leuveren gekozen bewoordingen duiden naar het oordeel van het hof niet op kennisname van het verstekvonnis via het roljournaal. Het roljournaal is immers zonder dat daartoe contact hoeft te worden opgenomen met (de griffie van) de rechtbank, voor advocaten digitaal toegankelijk en te raadplegen.
De gekozen bewoordingen duiden er veeleer op dat mr. Van Leuveren telefonisch contact heeft opgenomen met (de griffie van) de rechtbank en op die wijze kennis heeft genomen van het verstekvonnis én, zoals te doen gebruikelijk, de (hoofd)inhoud daarvan.(onderstreping A-G) Daarbij komt dat [eiseres] deze stelling eerst bij memorie van grieven heeft ingenomen. Hoewel dit wel op haar weg had gelegen, heeft zij het al in eerste aanleg door [betrokkene 1] ingenomen standpunt dat sprake was van kennisname van het verstekvonnis door telefonisch contact met de griffie van de rechtbank, in eerste aanleg niet weersproken.
Verder geeft mr. Van Leuveren in de e-mail van 30 november 2016 aan dat hij, zodra het verstekvonnis aan [eiseres] was betekend, namens haar verzet zal aantekenen. Aangezien er alleen reden voor het instellen van verzet is indien in het verstekvonnis vorderingen van de eisende partij zijn toegewezen, hetgeen niet altijd het geval is, impliceert de aankondiging van het verzet bekendheid met de (hoofd)inhoud van het verstekvonnis en dus kennisname van het verstekvonnis op andere wijze dan via het roljournaal.(onderstreping A-G)
te doen gebruikelijk’ is dat de griffie van de rechtbank bij telefonische navraag ook de (hoofd)inhoud van een verstekvonnis meldt omdat dit in het telefoongesprek met mr. Van Leuveren achterwege kan zijn gebleven. Daarnaast is deze motivering niet concludent als weerlegging van de stelling van [eiseres] dat zij en mr. Van Leuveren pas na betekening van het verstekvonnis kennis namen van de (hoofd)inhoud ervan; [17]
kanbovendien niet waar zijn, omdat de advocaat van [eiseres] in zijn e-mail van 30 november 2016 aan mr. Jansen niet alleen aan de orde stelde te weten van het verstekvonnis, maar ook opmerkte een opdracht te hebben daartegen namens haar verzet in te stellen. Reden voor het instellen van verzet is er echter alleen indien er sprake is van een uitspraak waarbij vorderingen van een eisende partij zijn toegewezen. Ook bij verstek komt het voor dat daarvan geen sprake is, bijvoorbeeld in het geval de vorderingen de rechtbank onrechtmatig of ongegrond voorkomen.
subonderdeel 2bwordt de door het hof in rov. 5.11 geformuleerde maatstaf van art. 143 lid 2 Rv Pro en de toepassing daarvan in rov. 5.10 tot en met rov. 6.1 aan de orde gesteld. [22]
het bestaanvan het vonnis blijkt, is onvoldoende. [27] Zo oordeelde de Hoge Raad in het arrest van 23 september 2005 [28] dat de veroordeelde door het enkele aanhoren van het vonnis geen daad pleegt waaruit noodzakelijk voortvloeit dat het vonnis hem bekend is, ook al zou moeten worden aangenomen dat hij door dat aanhoren globaal van de inhoud van het verstekvonnis op de hoogte is geraakt.
in rechteoptreedt voor de bij verstek veroordeelde geldt een daad van bekendheid van de raadsman als een daad van de veroordeelde zelf. [32] Volgens Von Schmidt auf Altenstadt mag men er namelijk van uitgaan dat proceshandelingen in opdracht van de procespartij zelf geschieden en leert de praktijk ook dat processtukken vooraf aan de cliënt ter goedkeuring plegen te worden toegezonden. [33]
. [38]
NJ1967, 34).
NJ1958, 320). (…)”
NJ1967, 34 (…).
heeft verricht.
buiten rechtebetrof, deze daad van mr. Van Leuveren op zichzelf niet als daad van bekendheid van de veroordeelde zelf kan gelden. In zoverre heeft het hof geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
6. De slotsom
nderdeel 3.1bestaat uit vijf klachten.
De eerste drie klachten vallen de oordelen van het hof in rov. 5.12 aan dat het onder omstandigheden wel mogelijk is dat op grond van een daad van een advocaat het vermoeden gerechtvaardigd is dat daaraan een voorafgaande daad van bekendheid van de veroordeelde zelf ten grondslag ligt, behoudens door de veroordeelde aan te voeren bijzondere omstandigheden en dat die situatie zich hier voordoet.
eerste klacht [40] is het uitgangspunt van het hof in rov. 5.12 rechtens onjuist en strookt deze niet met de in rov. 5.11 vermelde heersende rechtsopvatting dat een daad van de advocaat van de veroordeelde op zich niet kan gelden als daad van bekendheid van de veroordeelde zelf en heeft het hof dergelijke handelingen en uitlatingen van [eiseres] zelf niet vastgesteld.
tweede klacht [41] betoogt dat het door het hof gerechtvaardigd geachte vermoeden ten onrechte ervan uitgaat dat het aanhoren van de (hoofd)inhoud van het verstekvonnis door de veroordeelde in een bespreking met een advocaat een daad van bekendheid in vorenbedoelde zin oplevert, nu door het enkel aanhoren de veroordeelde zelf niet een daad van bekendheid pleegt, ook niet als wordt aangenomen dat deze veroordeelde door dat aanhoren globaal van de (hoofd)inhoud van het verstekvonnis op de hoogte is geraakt.
NJ1967/34. De eerste klacht stuit op het voorgaande af.
derde klacht [42] heeft het hof bij zijn oordeel over het gerechtvaardigd geachte vermoeden miskend dat aan de bespreking van een verstekvonnis moet voorafgaan en ten grondslag liggen dat met de advocaat (hier mr. Van Leuveren) een overeenkomst van lastgeving bestaat, op grond waarvan het juist het verrichten van rechtshandelingen buiten en in rechte (proceshandelingen) is dat de opdracht een lastgeving doet zijn en wat de kern is van de verplichtingen van de advocaat als lasthebber van de veroordeelde ( [eiseres] ).
vierde klacht [43] veronderstelt dat het hof er bij zijn vermoeden in rov. 5.12 van uitging dat tussen [eiseres] en mr. Van Leuveren een overeenkomst van lastgeving en opdracht bestond vóór en ten tijde van de e-mail van 30 november 2016. Daarvan uitgaande wordt geklaagd dat het oordeel onjuist of onbegrijpelijk is in het licht van de stelling/ verweer dan wel grief van [eiseres] dat mr. Van Leuveren op het moment dat hij namens [betrokkene 2] optrad en kennis nam van het feit dat tegen [eiseres] een verstekvonnis gewezen was nog niet door [eiseres] was benoemd/aangewezen als advocaat, maar uitsluitend acteerde op verzoek van haar huisgenoot (MvG nrs. 9 t/m 15). Volgens de klacht lag daarin haar betwisting besloten dat op dat moment met mr. Van Leuveren een overeenkomst van lastgeving/ opdracht bestond. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan ook onjuist en onbegrijpelijk dat het hof het bestaan van een overeenkomst van lastgeving en opdracht, als zodanig en zonder meer, aannam. Daarvoor was onvoldoende wat [betrokkene 1] in dit kader aanvoerde onder verwijzing naar de door [eiseres] overgelegde toevoeging in het kader van het in verzet verschuldigd griffierecht als vermeld op de verzetdagvaarding, welk toevoegingsnummer volgens de eigen administratie van [betrokkene 1] aan [eiseres] moest zijn verleend in de periode ‘tussen 14 en 29 november 2016’ en alleen door mr. Van Leuveren in opdracht van [eiseres] had kunnen worden aangevraagd (MvA nrs. 29 t/m 34 en akte overlegging producties nrs. 11 en 12). Het hof heeft deze stellingen van [betrokkene 1] niet kenbaar in zijn oordelen betrokken en het heeft ook niet (anderszins) vastgesteld dat vóór 30 november 2016 ten behoeve van [eiseres] door mr. Van Leuveren in haar opdracht een toevoeging was aangevraagd.
vijfde klacht [44] is gericht tegen de slotzin van rov. 5.12. Volgens de klacht is het oordeel onjuist en onbegrijpelijk in het licht van de stelling/grief van [eiseres] dat mr. Van Leuveren toen nog niet was benoemd/ aangewezen als haar advocaat maar uitsluitend acteerde op verzoek van haar huisgenoot [betrokkene 2] (MvG nr. 9 e.v.), waarmee [eiseres] in hoger beroep juist betwistte dat zij mr. Van Leuveren opdracht had gegeven de advocaat van [betrokkene 1] te laten weten dat tegen het verstekvonnis verzet zou worden aangetekend (zie nader hiervóór en zie onderdeel 1). Deze betwisting was immers volgens het subonderdeel voldoende voor de gevolgtrekking dat het ‘vermoeden’ van het hof niet gerechtvaardigd was/zou zijn.
subonderdeel 3.3heeft het hof, verkort weergegeven, ten onrechte beslist dat het verzet te laat is ingesteld waardoor aan [eiseres] in strijd met art. 6 lid 1 EVRM Pro de toegang tot de rechter is onthouden.