ECLI:NL:PHR:2005:AT4557
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg van het verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden omtrent zuivere inkomsten en niet uitgekeerde winsten
In deze zaak gaat het om de uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden tussen een man en een vrouw die in 1987 zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. De kern van het geschil betreft de vraag of de niet uitgekeerde winsten die in de vennootschap van de man zijn opgepot, moeten worden beschouwd als 'zuivere inkomsten' die verrekend dienen te worden met de vrouw.
De rechtbank en het hof hebben zich over deze vraag gebogen, waarbij het hof uiteindelijk oordeelde dat onder 'zuivere inkomsten' alleen het salaris en de dividenduitkeringen vallen, en niet de niet uitgekeerde winsten. De vrouw stelde dat ook de opgepotte winsten tot verrekening moesten worden betrokken, terwijl de man dit betwistte.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en benadrukt dat bij de uitleg van de huwelijkse voorwaarden de gemeenschappelijke bedoeling van partijen centraal staat, waarbij het Haviltexcriterium wordt toegepast. De Hoge Raad wijst erop dat de akte van huwelijkse voorwaarden een eigen omschrijving van 'zuivere inkomsten' bevat en dat het begrip niet automatisch gelijkgesteld kan worden aan fiscale definities. De niet uitgekeerde winsten worden niet als inkomsten in de zin van het verrekenbeding beschouwd, terwijl het salaris en dividenduitkeringen wel onder het beding vallen.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw en bevestigt daarmee het oordeel dat de niet uitgekeerde winsten in de vennootschap niet tot verrekening behoren. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor verdere afhandeling van de overige verzoeken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat niet uitgekeerde winsten in de vennootschap niet onder het verrekenbeding vallen en verwerpt het cassatieberoep.