ECLI:NL:PHR:2013:CA3739
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing van het Amsterdams verrekenbeding op niet uitgekeerde ondernemingswinsten bij echtscheiding
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een Amsterdams verrekenbeding dat voorziet in verrekening van overgespaard inkomen. De man is directeur en enig aandeelhouder van een B.V. die aanzienlijke winsten behaalt, maar geen dividend uitkeert. De vrouw werkte in de onderneming en bracht een transportvergunning in, maar ontving slechts een bescheiden salaris.
De rechtbank oordeelde dat niet uitgekeerde ondernemingswinsten onder het verrekenbeding vallen en stelde een deskundigenbericht in. Het hof vernietigde deze beslissing deels en bepaalde dat verrekening op grond van artikel 1:141 lid 4 BW Pro moet plaatsvinden, waarbij het hof oordeelde dat het onaanvaardbaar was dat de man niet zou afrekenen met de vrouw over de opgepotte winst. Het hof motiveerde dit met de lage salarisuitkering en de bijdrage van de vrouw aan de onderneming.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof vanwege onvoldoende motivering over waarom het lage salaris onaanvaardbaar is en omdat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd trad door een verrekening van niet uitgekeerde winst te gelasten zonder voldoende feitelijke onderbouwing. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling. De Hoge Raad benadrukt dat de redelijkheid en billijkheid terughoudend moeten worden toegepast en dat de partijbedoeling van het verrekenbeding centraal staat.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.