ECLI:NL:PHR:2005:AT5950
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de verlengde navorderingstermijn bij buitenlandse inkomsten en vermogensbestanddelen
Deze zaak betreft de toepassing van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) over de verlengde navorderingstermijn van 12 jaar bij buitenlandse vermogens- en inkomensbestanddelen. Belanghebbende, een in Nederland gevestigde vennootschap, ontving vergoedingen op een zogenoemde prêt participatif verstrekt aan een in Frankrijk gevestigde deelneming. De vraag was of deze vergoeding als in het buitenland opgekomen moest worden beschouwd, waardoor de verlengde navorderingstermijn van toepassing zou zijn.
De Hoge Raad bevestigt dat de verlengde navorderingstermijn alleen van toepassing is indien het bestanddeel buiten het zicht van de Nederlandse fiscus is gehouden door de plaats waar het is opgekomen. Het enkele feit dat betalingen vanuit het buitenland worden gedaan naar een Nederlandse bankrekening betekent niet automatisch dat sprake is van een in het buitenland opgekomen bestanddeel. Indien de vergoeding feitelijk en rechtstreeks zichtbaar is voor de inspecteur, bijvoorbeeld doordat deze in de aangifte is opgenomen, is er geen reden voor verlenging van de navorderingstermijn.
De uitspraak bevat een uitgebreide analyse van de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en communautaire aspecten. De wetgever heeft de verlengde navorderingstermijn ingevoerd om controleproblemen bij buitenlandse vermogensbestanddelen en inkomensbestanddelen te ondervangen. De termijnverlenging is bedoeld voor gevallen waarin bestanddelen met opzet of grove schuld buiten het zicht van de fiscus zijn gehouden. De Hoge Raad benadrukt dat de termijnverlenging niet bedoeld is voor normale geschilpunten of interpretatieverschillen.
De zaak illustreert het belang van zichtbaarheid voor de fiscus en de noodzaak van concrete aanknopingspunten om de verlengde navorderingstermijn toe te passen. Ook worden communautaire vrijheden en het evenredigheidsbeginsel besproken, waarbij wordt geconcludeerd dat de regeling proportioneel en gerechtvaardigd is ter bestrijding van belastingontduiking en ter verbetering van fiscale controle.
Uitkomst: De verlengde navorderingstermijn is niet van toepassing omdat de vergoeding zichtbaar was voor de fiscus en op een Nederlandse rekening werd ontvangen.