ECLI:NL:PHR:2005:AT6005
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ruime uitleg begrip kredietinstelling onder Wet toezicht kredietwezen 1992
In deze cassatieprocedure staat de uitleg van het begrip 'kredietinstelling' onder de Wet toezicht kredietwezen 1992 centraal. De zaak betreft A/b Financiën B.V. en Belba B.V., die in sterke verwevenheid gezamenlijk één onderneming drijven zonder vergunning van De Nederlandsche Bank (DNB). DNB had bij de rechtbank verzocht een bijzondere voorziening te treffen wegens ontoereikende solvabiliteit en liquiditeit.
De rechtbank wees het verzoek toe en oordeelde dat A/b en Belba samen als één kredietinstelling moeten worden beschouwd. A/b betoogde in cassatie dat het begrip kredietinstelling slechts op één rechtspersoon van toepassing kan zijn en dat zij niet als zodanig kan worden aangemerkt samen met Belba. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en bevestigde dat meerdere (rechts)personen samen materieel één onderneming kunnen vormen die als kredietinstelling kwalificeert.
De Hoge Raad benadrukte dat de ruime definitie van 'onderneming' in de wet en de beleidsregels van DNB rechtvaardigen dat verweven entiteiten als één kredietinstelling worden aangemerkt, juist om effectief toezicht te kunnen houden op ondoorzichtige financiële constructies. Ook de argumenten van A/b over vrijstelling en financiële positie werden verworpen. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep van A/b Financiën B.V. wordt verworpen; de beschikking van de rechtbank blijft in stand.