ECLI:NL:PHR:2005:AT6845
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eenhoofdig ouderlijk gezag van vader in belang van minderjarige kinderen
De zaak betreft een verzoek van de vader om het eenhoofdig ouderlijk gezag over zijn minderjarige kinderen toe te wijzen, dat tot dan toe bij de moeder lag. De ouders hadden een langdurige relatie gehad en samen het gezag uitgeoefend, maar waren uit elkaar gegaan en hadden de verzorging verdeeld. De moeder was verhuisd en wilde de kinderen mee laten verhuizen, terwijl de vader wilde dat zij in de oorspronkelijke woonplaats bleven.
De rechtbank en het hof stelden het belang van de kinderen centraal en besloten het gezag aan de vader toe te wijzen, mede op basis van een rapport van de raad voor de kinderbescherming. De moeder stelde dat alleen bij verwaarlozing of schade door de gezagsouder wijziging mogelijk was en dat de beslissing een onrechtmatige inbreuk op haar recht op gezinsleven vormde.
De Hoge Raad oordeelde dat de maatstaf voor gezagswijziging het belang van het kind is en niet de vraag of de moeder haar gezag verwaarloost. Het hof had de juiste belangenafweging gemaakt en de beslissing was voldoende gemotiveerd. De klachten van de moeder werden verworpen, ook de stelling dat de moeder haar leven vrij moest kunnen inrichten zonder gevolgen voor het gezag.
De Hoge Raad bevestigde dat het belang van het kind de enige maatstaf is voor wijziging van het gezag en dat het hof terecht had geoordeeld dat de vader beter in staat was de belangen van de kinderen te waarborgen. De beslissing tot toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de vader werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en het eenhoofdig gezag wordt aan de vader toegekend in het belang van de kinderen.