ECLI:NL:PHR:2005:AT8300

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02275/04
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 427 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 62 lid 1 Sr
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie bij geldboete wegens overtreding WAM

De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens meerdere overtredingen van de Wegenverkeerswet 1994 en de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM). Voor twee feiten werd een gevangenisstraf van zes weken opgelegd en voor een derde feit een geldboete van €250, subsidiair vijf dagen hechtenis.

Namens verdachte werd cassatieberoep ingesteld tegen de bewezenverklaring van de overtreding van de WAM waarvoor de geldboete was opgelegd. De Hoge Raad overwoog dat ex artikel 427 Sv Pro tegen arresten betreffende overtredingen geen cassatieberoep openstaat indien de opgelegde straf niet verder gaat dan een geldboete van maximaal €250, zoals hier het geval was.

Omdat het cassatieberoep uitsluitend betrekking had op dat feit, werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad verwierp het beroep voor het overige wegens gebrek aan middelen van cassatie gericht tegen de rest van de uitspraak. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging. Het cassatieberoep werd daarmee afgewezen.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie tegen de geldboete van €250 wegens overtreding WAM.

Conclusie

Nr. 02275/04
Mr. Vellinga
Zitting: 21 juni 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens 1. en 2. overtreding van artikel 9, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd, en 3. als bestuurder van een motorrijtuig daarmede rijden op een weg zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden, veroordeeld ter zake van feit 1. en 2. tot zes weken gevangenisstraf en ter zake van feit 3 tot een geldboete van € 250,- subsidiair vijf dagen hechtenis.
2. Namens verdachte heeft mr. J. Biemond, advocaat te 's-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.
3. Het middel is gericht tegen de als feit 3 bewezenverklaarde overtreding.
4. Ingevolge het sedert 1 januari 2002 toepasselijke art. 427 Sv Pro staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,-, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
5. Indien feiten, zoals hier is gebeurd, cumulatief zijn tenlastegelegd wordt de vraag of en zo ja welk rechtsmiddel tegen de bestreden uitspraak openstaat, voor ieder van de feiten afzonderlijk beoordeeld als ware sprake van gevoegde zaken.(1)
6. Het Hof heeft voor het feit waartegen het middel is gericht (vanwege het bepaalde in art. 62 lid 1 Sr Pro, afzonderlijk) geen andere straf of maatregel opgelegd dan een geldboete van € 250,-.
7. Een en ander brengt mee dat de verdachte voor wat betreft feit 3 niet in het ingestelde beroep kan worden ontvangen en het middel dus buiten bespreking kan blijven.(2)
8. Vervolgens dient de vraag onder ogen te worden gezien of de enkele omstandigheid dat de schriftuur geen op het overige van de bestreden uitspraak betrekking hebbend middel bevat, er toe moet leiden dat de verdachte voor het overige eveneens niet-ontvankelijk in het beroep dient te worden verklaard.
9. Het beroep in cassatie is namens de verdachte op de door de wet voorgeschreven wijze ingesteld. Tevens is aan het vereiste voldaan dat tijdig door een advocaat een schriftuur wordt ingediend. Voorts is in de tekst van de wet geen steun te vinden voor de opvatting dat van een "schriftuur (...) houdende zijn middelen van cassatie" (art. 437 lid 2 Sv Pro) geen sprake meer is indien de middelen van de verdachte weliswaar betrekking hebben op de bestreden uitspraak maar niet op dat deel waarvoor beroep in cassatie openstaat.(3)
10. Bij gebreke van middelen is de bestreden uitspraak voor het overige slechts vatbaar voor ambtshalve cassatie. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik evenwel niet aangetroffen.
11. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in het beroep tegen de bestreden uitspraak voor wat betreft de veroordeling ter zake van de overtreding onder 3. niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Melai/Groenhuijsen e.a., aant. 10.2 op art. 427 (suppl. 134, april 2003). Zie voor het cassatieberoep van het OM: A.J.A. van Dorst, 'Rechtsbescherming en doelmatigheid in cassatie', in: G.A.M. Strijards e.a. (red.), De derde rechtsingang nader bekeken (Bronkhorst-bundel), Arnhem: Gouda Quint 1989, p. 96 en D.H. de Jong, 'De cassatieschriftuur van het OM', DD 1980, p. 252.
2 Zie bijv. HR 19 april 2005, nr. 03211/04 rov 3.1 en 3.2 en HR 14 oktober 2003, LJN AJ1111.
3 Hier is ook niet aan de orde het probleem dat de schriftuur wel middelen bevat doch dat deze niet zijn gericht tegen de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld, hetgeen in HR 14 september 2004, nr. 02820/03 M leidde tot buiten bespreking laten van het middel, in HR 9 november 2004, LJN AR2942 tot niet-ontvankelijkheid in het cassatieberoep.