ECLI:NL:HR:2003:AJ1111

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02376/02
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • F.H. Koster
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 427 SvArt. 81 ROArt. 461 Sr
Verwijzingen
8 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens toepassing art. 9a Sr bij overtreding

De verdachte was in hoger beroep door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder opzettelijke beschadiging van goederen en het zich bevinden op andermans grond zonder toestemming. Voor één van de feiten (parketnummer 01/050341-99 onder 2) paste het hof art. 9a Sr toe en legde geen straf of maatregel op.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 427 Sv Pro, sinds 1 januari 2002, geen cassatieberoep openstaat tegen arresten waarbij art. 9a Sr is toegepast en geen straf of maatregel is opgelegd, tenzij het een overtreding betreft van een gemeentelijke of provinciale verordening. Omdat dit niet het geval was, verklaarde de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk voor dat onderdeel van het cassatieberoep.

Voor het overige verwierp de Hoge Raad het beroep, waarbij de middelen niet tot cassatie konden leiden en geen nadere motivering behoefden. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 14 oktober 2003.

Uitkomst: Verdachte niet-ontvankelijk verklaard in cassatie voor het feit waarop art. 9a Sr is toegepast; beroep voor het overige verworpen.

Uitspraak

14 oktober 2003
Strafkamer
nr. 02376/02
EW/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2002, nummer 20/001306-01, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 maart 2001 - de verdachte ter zake van (parketnummer 01/057045-00) "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen", (parketnummer 01/050341-99) 1. en 3. telkens opleverende: "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" en 2. "zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op andermans grond waarvan de toegang op een voor haar kenbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevinden" ten aanzien van parketnummer 01/057045-00 en parketnummer 01/050341-99 onder 1 en 3 veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren alsmede tot het verrichten van een taakstraf die bestaat uit een werkstraf voor de duur van 140 uren, subsidiair zeventig dagen hechtenis en ten aanzien van parketnummer 01/050341-99 onder 2 bepaald dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij afgewezen.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 31 juli 2002 heeft voor wat betreft feit 2 (parketnummer 01/050341-99) betrekking op een overtreding (art. 461 Sr Pro); het Hof heeft ter zake van dat feit toepassing gegeven aan art. 9a Sr en bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Ingevolge het sedert 1 januari 2002 toepasselijke art. 427 Sv Pro staat tegen arresten van de gerechtshoven betreffende overtredingen beroep in cassatie niet open indien (a) met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel werd opgelegd of (b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of wanneer bij het arrest twee of meer geldboetes zijn opgelegd, tot een gezamenlijk maximum - van € 250,--, tenzij het arrest een overtreding betreft van een verordening van een provincie, een gemeente, een waterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam.
3.2. Uit het onder 3.1 overwogene volgt dat tegen de bestreden uitspraak voor wat betreft de ten aanzien van feit 2 (parketnummer 01/050341-99) gegeven beslissingen geen beroep in cassatie heeft opengestaan zodat de verdachte in zoverre in het ingestelde beroep niet kan worden ontvangen.
4. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt het vorenoverwogene mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep voor wat betreft de in de bestreden uitspraak gegeven beslissingen ten aanzien van het onder parketnummer 01/050341-99 onder 2 tenlastegelegde feit;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 14 oktober 2003.