ECLI:NL:PHR:2005:AT8788
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de toelaatbaarheid van paraplumachtigingen na invoering van de voorwaardelijke machtiging in de Wet Bopz
Deze zaak betreft de beoordeling van de toelaatbaarheid van een zogenaamde 'paraplumachtiging' na de inwerkingtreding van de wet van 13 juli 2002, die per 1 januari 2004 de voorwaardelijke machtiging in de Wet Bopz introduceerde. De officier van justitie verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis, terwijl betrokkene feitelijk thuis verbleef op grond van een voorwaardelijk ontslag. De rechtbank verleende de machtiging, die feitelijk een paraplumachtiging betrof.
De Hoge Raad overweegt dat de wetgever met de invoering van de voorwaardelijke machtiging een einde heeft willen maken aan de praktijk van paraplumachtigingen, waarbij een machtiging werd verleend zonder dat daadwerkelijke opname werd beoogd, en waarbij voorwaarden aan de patiënt werden gesteld zonder rechterlijke toetsing vooraf. De wettelijke regeling vereist instemming van de patiënt met de voorwaarden, hetgeen bij paraplumachtigingen niet het geval was.
De Hoge Raad oordeelt dat na 1 januari 2004 alleen nog voorwaardelijke machtigingen mogen worden verleend indien aan alle wettelijke eisen is voldaan, waaronder de bereidverklaring van de patiënt. Het verlenen van een onvoorwaardelijke machtiging tot voortgezet verblijf zonder daadwerkelijke opname, zoals in deze zaak, is niet toegestaan. De bestreden beschikking wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor hernieuwde beoordeling. De Hoge Raad benadrukt dat de term 'paraplumachtiging' uit het spraakgebruik dient te verdwijnen vanwege de gewijzigde rechtspositie van patiënten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de onvoorwaardelijke machtiging tot voortgezet verblijf die feitelijk een paraplumachtiging betreft en verwijst de zaak voor hernieuwde beoordeling naar de rechtbank.