ECLI:NL:PHR:2005:AU1657
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het ouderlijk tuchtigingsrecht bij het slaan van een minderjarige dochter in het gezicht
In deze zaak werd een vader veroordeeld wegens het opzettelijk slaan van zijn 15-jarige dochter in het gezicht, waarbij hij zich beriep op het ouderlijk tuchtigingsrecht. Het hof had geoordeeld dat het slaan niet vanuit opvoedkundig oogpunt verantwoord was, mede vanwege de kwetsbaarheid van het gezicht en de omstandigheden waaronder het gebeurde.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de internationale en buitenlandse rechtsontwikkelingen omtrent het ouderlijk tuchtigingsrecht, waaronder verdragsbepalingen en wetgeving uit Engeland, Schotland, Duitsland, Arkansas en Washington D.C. Hieruit blijkt een tendens tot beperking en afschaffing van lichamelijke bestraffing van kinderen, met name het slaan in het gezicht wordt vrijwel overal als ontoelaatbaar beschouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het beroep op het ouderlijk tuchtigingsrecht terecht heeft verworpen, ook al was de motivering wat summier. Het slaan in het gezicht is niet te rechtvaardigen als een verantwoorde corrigerende tik. Dit oordeel wordt ondersteund door jurisprudentie en wetgeving in diverse landen. Het middel van de vader faalt en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep op het ouderlijk tuchtigingsrecht faalt; de veroordeling wegens mishandeling blijft in stand.