ECLI:NL:PHR:2005:AU1710
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring en rechtsherstel bij onrechtmatige overheidsdaad inzake melkquotum
Eiser exploiteerde een melkveehouderij en diende in 1984 een aanvraag in voor extra melkquotum op grond van de Beschikking superheffing 1984 (Bsh). De minister wees dit af, waarna bezwaar en beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) eveneens werden verworpen. Eiser stelde vervolgens de Staat aansprakelijk wegens onrechtmatige overheidsdaad en vorderde schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat de Staat onrechtmatig had gehandeld en veroordeelde tot schadevergoeding. De Staat stelde hoger beroep in en beriep zich primair op verjaring. Het hof oordeelde dat de vordering verjaard was en wees de vorderingen af. Eiser wijzigde zijn eis in hoger beroep en vorderde nakoming van de wet door toekenning van het melkquotum, maar deze vermeerderde vordering werd eveneens als verjaard en niet-ontvankelijk verworpen.
De Hoge Raad bevestigt dat de vorderingen verjaard zijn op grond van toepasselijke verjaringstermijnen uit het Burgerlijk Wetboek, waarbij de opeisbaarheid van de vordering aan het moment van uitspraak van het CBB wordt gekoppeld. Tevens benadrukt de Hoge Raad dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om bestuursbesluiten te vernietigen of in de plaats daarvan besluiten te nemen, vooral niet wanneer beleidsvrijheid aan de orde is. Het arrest bespreekt ook de verhouding tussen bestuursrecht en burgerlijk recht en de beperkingen die het EVRM stelt, waarbij schadevergoeding als passend rechtsherstel wordt gezien. De nakomingsvordering wordt afgewezen wegens strijd met het bestuursrechtelijke stelsel en verjaring. De conclusie is dat het beroep van eiser wordt verworpen.
Uitkomst: Vorderingen van eiser wegens onrechtmatige overheidsdaad zijn verjaard en nakomingsvordering wordt afgewezen wegens gebrek aan bevoegdheid burgerlijke rechter.