ECLI:NL:PHR:2005:AU2008
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van omzetting en afkoop van kapitaalverzekering met lijfrenteclausule
Belanghebbende had in 1999 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten en deze in augustus 1999 afgekocht. De afkoop bestond uit een combinatie van schuldaflossing, contante uitbetaling en de verkrijging van een nieuwe lijfrenteverzekering voor zijn echtgenote. Het geschil betrof de vraag of sprake was van een volledige afkoop of een gedeeltelijke omzetting volgens art. 25, lid 14, Wet IB 1964.
Het Hof oordeelde dat de nieuwe verzekering niet als voortzetting van de oude kon worden beschouwd vanwege verschillen in voorwaarden en verzekeringnemer, en dat belanghebbende over het grootste deel van de waarde had beschikt. De conclusie van de procureur-generaal stelt dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde, omdat de wet niet vereist dat de nieuwe polis gelijk moet zijn aan de oude om als voortzetting te gelden.
De conclusie benadrukt dat omzetting ook subjectieve vervreemding kan inhouden, bijvoorbeeld wanneer rechten worden overgedragen aan een ander, zoals de echtgenote. De zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar de vraag of belanghebbende daadwerkelijk over de waarde heeft beschikt en hoe het rentebestanddeel fiscaal moet worden behandeld.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar de fiscale behandeling van de afkoop en omzetting.