ECLI:NL:PHR:2010:BI5091
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Interpretatie en toepassing van artikel 13ca Wet Vpb bij ontvoeging binnen fiscale eenheid
In deze zaak staat centraal de vraag of het verbreken van een fiscale eenheid waarbij een afgewaardeerde deelneming uit het vermogen van de moedermaatschappij verdwijnt, gelijkgesteld moet worden met een vervreemding als bedoeld in artikel 13ca, vierde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). De belanghebbende, moeder van een fiscale eenheid, had in 2001 een afwaarderingsverlies genomen op een Amerikaanse deelneming. In 2003 werd de fiscale eenheid verbroken door overdracht van aandelen van een tussenhoudster aan een andere vennootschap, waardoor de deelneming niet langer direct tot het vermogen van de moeder behoorde.
De Rechtbank had geoordeeld dat deze ontvoeging als een vervreemding moest worden beschouwd, waardoor het afwaarderingsverlies moest worden teruggenomen in de winst van 2003. De belanghebbende betwistte dit en stelde dat de bijtellingsverplichting mee zou moeten gaan met de ontvoegde tussenhoudster, zodat de afwaardering niet definitief zou zijn. De procureur-generaal concludeerde dat de term 'vervreemding' in art. 13ca(4) Wet Vpb volgens het civiele recht moet worden uitgelegd en dat de ontvoeging niet als vervreemding kan worden aangemerkt. Wel is sprake van een daling van het belang beneden 25%, wat eveneens tot bijtelling kan leiden.
De conclusie gaat uitgebreid in op de systematiek van artikel 13ca Wet Vpb, de fiscale eenheid en de gevolgen van ontvoeging. Daarbij wordt benadrukt dat subjectgebonden omstandigheden, zoals verliezen en fiscale claims, bij de moedermaatschappij achterblijven bij ontvoeging, terwijl objectgebonden omstandigheden het object volgen. De wetgever heeft geen regeling getroffen die de bijtellingsverplichting meeneemt met de ontvoegde dochter, hetgeen leidt tot het oordeel dat de Rechtbank een onjuist rechtsoordeel heeft gegeven door de ontvoeging als vervreemding te kwalificeren.
De conclusie bespreekt ook de relevante jurisprudentie, parlementaire geschiedenis en fiscale literatuur. Het arrest bevestigt dat de tijdelijke afwaardering van deelnemingen niet definitief wordt door ontvoeging en dat de bijtellingsverplichting bij de moeder blijft, tenzij expliciet anders bepaald. Dit voorkomt dubbele bijtelling en sluit aan bij de systematiek van de fiscale eenheid. De zaak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige interpretatie van fiscale begrippen binnen het complexe regime van de vennootschapsbelasting.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat ontvoeging binnen fiscale eenheid niet gelijkstaat aan vervreemding en dat de bijtellingsverplichting bij de moedermaatschappij blijft.