ECLI:NL:PHR:2005:AU3720
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid aanvullend cassatieverzoek en verblijfplaats kinderen na echtscheiding
Partijen zijn in 1993 getrouwd en hebben twee dochters. Na vertrek van de moeder uit de echtelijke woning in 2002 wonen de kinderen bij de vader en zijn moeder. Het huwelijk is in 2004 ontbonden. De verblijfplaats van de kinderen vormde een geschilpunt waarbij de Raad voor de Kinderbescherming advies uitbracht en het hof het advies volgde.
De moeder stelde verdenkingen van seksueel misbruik door de vader uit een eerder huwelijk aan de orde en vroeg om nader onderzoek. Het hof vond onvoldoende aanleiding voor aanvullend onderzoek en oordeelde dat het verblijf bij de vader in het belang van de kinderen was. De moeder stelde tijdig cassatieberoep in en diende later een aanvullend verzoek in na ontvangst van het proces-verbaal.
De Hoge Raad stelt dat aanvullend cassatieberoep na het verstrijken van de termijn slechts met bekwame spoed kan worden ingediend, wat hier niet het geval was. De klachten uit het aanvullende verzoek zijn daarom niet-ontvankelijk. De klachten over het onderzoek en de verblijfplaats van de kinderen zijn inhoudelijk ongegrond. De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof en wijst het cassatieberoep af.
Uitkomst: Het aanvullend cassatieverzoek is niet-ontvankelijk verklaard en het primaire cassatieberoep is verworpen.