Conclusie
1.De feiten
18 februari 2008 houden in dat [verweerster 2] een lening beoogt te verkrijgen van € 60 miljoen ter financiering van een eventuele overname.
21 april 2008, heeft [verweerder 3] (hierna: [verweerder 3] ) aan alle bestuurders en alle andere commissarissen geschreven dat hij het uitlenen van
“excess cash op armslength condities”door [verweerster 2] aan [D] geen probleem acht mits [verweerster 2] weer over het geld kan beschikken wanneer dat nodig is. In de vergadering van de raad van commissarissen van 21 april 2008 is gesproken over
upstreamingvan een bedrag van € 8 miljoen. De notulen van die vergadering houden in dat de raad van commissarissen heeft besloten dat de eventuele
upstreamingcommercieel onderbouwd moet worden, de bedragen enkel op korte termijn uitgeleend mogen worden en onmiddellijk opeisbaar moeten zijn door [verweerster 2] indien [verweerster 2] de middelen zelf nodig zou hebben. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) heeft in die vergadering voorgesteld dat in geval van
upstreaming[verweerster 2] zekerheid verkrijgt in de vorm van een pandrecht op de door [D] gehouden aandelen in [verweerster 2] . De notulen houden voorts in dat in een latere vergadering zal worden beslist over het al dan niet
upstreamen.
“Club deal”, onder meer in dat de raad van commissarissen onder voorwaarden heeft ingestemd met het aantrekken door [verweerster 2] van een bancair krediet van € 75 miljoen, welk krediet volgens die notulen als volgt zal worden gebruikt:
upstreamingvan middelen naar [D] de groei, ontwikkeling en financiering van [verweerster 2] niet mag belemmeren en dat [D] hetzelfde aflossingsschema zal volgen als [verweerster 2] .
Clubdeal [2] toegestuurd aan de commissarissen, met uitzondering van [betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ), (met cc aan beide bestuurders) en daarbij opgemerkt dat de documentatie een beperking van de
upstreamingbevat tot € 15 miljoen.
Clubdealis op 22 juli 2008 door [verweerster 2] ondertekend en omvat een kredietfaciliteit van € 75 miljoen en een beperking van de
upstreamingtot € 15 miljoen.
Clubdealin:
Upstreaming [3] , onder meer inhoudt dat de commissarissen verplicht zijn goed toezicht te houden op het ongedaan maken van de overschrijding en het inlichten van de banken door het bestuur, dat indien [D] niet in staat is de geleende bedragen onmiddellijk terug te betalen, aangetoond moet worden dat [D] op korte termijn zal kunnen terugbetalen en dat, indien de directie aan een en ander geen gevolg geeft, de commissarissen een schorsing van de directie dienen te overwegen.
Upstreamingen dat de overschrijding zo snel mogelijk ongedaan moet worden gemaakt en dat de voortgang van het voorgaande wekelijks besproken zal worden tussen het bestuur en de commissarissen. In reactie daarop heeft [verzoeker] (hierna: [verzoeker] ) aan de commissarissen bericht dat [betrokkene 6] het bestuur uitdrukkelijk heeft verzocht de banken niet in kennis te stellen vóór 31 oktober 2008 en dat het bestuur de noodzaak van de ongedaanmaking van de overschrijding onderschrijft.
Upstreamingongedaan te maken door terugbetaling van het volledige bedrag voor het einde van het jaar. Op 15 november 2008 is tussen [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [verweerder 3] enerzijds en [betrokkene 6] anderzijds besproken dat de
Upstreamingtot € 15 miljoen op verzoek van [verweerster 2] zal worden terugbetaald binnen een termijn van 30 dagen en dat de
Upstreamingboven € 15 miljoen voor 15 december 2008 zal worden terugbetaald, hetzij in geld, hetzij in aandelen [G] en dat tussen [verweerster 2] en [D] een kredietovereenkomst zal worden opgesteld, ook strekkende tot verpanding door [D] van haar aandelen in [G] .
Clubdealonder meer in:
non binding offervan € 6,25 per aandeel. [M] heeft op 28 januari 2013 afgezien van een overname van [verweerster 2] . Inmiddels, op 25 januari 2013, had [N] B.V. (hierna: [N] ) aan [verweerster 2] kenbaar gemaakt geïnteresseerd te zijn in een overname van [verweerster 2] .
Carve Out [7] ).
Carve Out, in het bijzonder vanwege het verschil tussen de waardering van het [G] Belang in het jaarverslag van [verweerster 2] (€ 25 miljoen) in relatie met de veel lagere prijs waartegen de
Carve Outplaatsvindt en daarnaast vanwege het feit dat [verweerster 2] in de voorafgaande vier maanden niemand benaderd heeft om het [G] Belang over te nemen.
Carve Outop dezelfde voorwaarden als besproken met [N] . Eind mei 2013 heeft Goss International te kennen gegeven af te zien van een bod.
fairness opinionin het kader van een mogelijke overname.
“de discount”van het [G] Belang in het kader van de
Carve Out. [verweerder 5] schrijft over dat gesprek:
Carve Out, “
onder de opschortende voorwaarde dat een onafhankelijke gereputeerde zakenbank ter zake een ‘fairness opinion’ zal afgeven, welke zakenbank wij z.s.m. na publicatie van de transactie tussen[ [D] ]
en [N] zullen inschakelen.”
“in de door [N] voorziene transactiestructuur”[verweerster 2] binnen twee weken na afronding van de transactie een aanmerkelijk deel van haar eigen aandelen zal inkopen en dat [N] nadien een verplicht openbaar bod zal uitbrengen op de overige aandelen in [verweerster 2] tegen een prijs van € 5,85 per aandeel.
fairness opinionte vragen met betrekking tot de
Carve Out.
fairness opinionsafgegeven – een met betrekking tot de
Carve Outen een met betrekking tot de door [N] te betalen prijs van € 5,85 per aandeel – beide gericht aan de raad van commissarissen van [verweerster 2] en beide inhoudende dat de opdracht daartoe is verstrekt door de raad van commissarissen en is vastgelegd in een
engagement lettervan 27 juni 2013.
position statementgepubliceerd. In het
position statementheeft [verweerster 2] bekend gemaakt te hebben besloten mee te werken aan de transactie tussen [D] en [N] en heeft zij dit besluit onder meer als volgt toegelicht.
position statementzijn gevoegd de genoemde
fairness opinionvan [I] met betrekking tot de
Carve Outen de
fairness opinionvan [I] met betrekking tot de tussen [D] en [N] overeengekomen (bied)prijs van € 5,85 per aandeel [verweerster 2] .
fairness opinionover de
Carve Outluidt:
fairness opinionmet betrekking tot de prijs van € 5,85 per aandeel [verweerster 2] luidt:
position statementbestond de raad van bestuur van [verweerster 2] uit [betrokkene 2] (CEO) en [verweerder 5] (CFO) en de raad van commissarissen uit [verweerder 3] (voorzitter), [betrokkene 3] en [verweerder 4] . Het
position statementhoudt in dat het desbetreffende besluit is genomen door [verweerder 5] en [verweerder 3] omdat de overige leden van de raad van bestuur en raad van commissarissen belast zijn met een tegenstrijdig belang; [betrokkene 2] omdat [N] te kennen heeft gegeven hem na voltooiing van de transactie te willen ontslaan als bestuurder, [betrokkene 3] omdat hij tevens lid is van de raad van bestuur van [D] , en [verweerder 4] omdat hij in nauwe familierelatie staat tot de grootaandeelhouder van [D] en omdat hij lid is van de raad van bestuur van [G] . Met betrekking tot [verweerder 5] houdt het
position statementin dat ook hij weliswaar lid is van de raad van bestuur van [D] , maar dat geen sprake is van een (potentieel) tegenstrijdig belang omdat [verweerder 5] niet heeft deelgenomen aan de besluitvorming door [D] over de transactie met [N] en omdat [verweerder 5] “
has not in any way been incentivised or deincentivised by either[ [D] ]
or [N] tot approve or disapprove of the Transaction.”
position statementgepubliceerd waarin zij verklaart het bod te steunen en de aandeelhouders aanraadt het bod te aanvaarden.
2.Het procesverloop
Upstreamingals zodanig niet als een grond voor de vaststelling van wanbeleid heeft aangevoerd en dat [verweerster 1] niet gerechtigd is dat onderwerp in een later stadium van de procedure, in de schriftelijke reactie van 23 februari 2017 alsnog ten grondslag aan haar verzoek te leggen.
Upstreamingen de verwerving van het [G] Belang in 2008 (…), een en ander zoals omschreven in r.o. 5.10 (
Upstreaming), r.o. 5.27 (verwerving van het [G] Belang) (…).” Voorts heeft de ondernemingskamer in het dictum vastgesteld dat “ [betrokkene 1] , [verzoeker] en [betrokkene 6] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de
Upstreaming” en dat “ [verweerder 3] , [betrokkene 7] en [betrokkene 8] verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid met betrekking tot de verwerving van het [G] Belang”.
De omvang van de rechtsstrijdheeft de ondernemingskamer onder meer overwogen als volgt:
Upstreamingals zodanig niet als een grond voor de vaststelling van wanbeleid heeft aangevoerd en dat [verweerster 1] niet gerechtigd is dat onderwerp in een later stadium van de procedure alsnog ten grondslag aan haar verzoek te leggen, overweegt de Ondernemingskamer als volgt. [verweerster 1] heeft in haar verzoekschrift de
Upstreaming- naast de verwerving van het [G] Belang - niet als afzonderlijke grond voor vaststelling van wanbeleid genoemd. [verweerster 1] heeft aan haar standpunt dat [betrokkene 6] verantwoordelijk is voor het wanbeleid wel ten grondslag gelegd dat hij verantwoordelijk is voor en een persoonlijk belang had bij de
Upstreaming.In haar nadere schriftelijke reactie (zie 1.14) heeft [verweerster 1] met zoveel woorden gesteld dat de
Upstreamingwanbeleid is. Voor zover [verweerster 1] aldus de grondslag van haar verzoek heeft vermeerderd, is dat naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet ontoelaatbaar. Anders dan [verweerster 2] heeft aangevoerd is artikel 283 jo Pro. 130 Rv. ook van toepassing op de tweede fase procedure. Dit betekent dat de vermeerdering van de grondslag van het verzoek toelaatbaar is tenzij die vermeerdering in strijd komt met de goede procesorde. Van dat laatste is geen sprake gelet op de nauwe samenhang tussen de
Upstreamingen de verkrijging van het [G] Belang, de aandacht die de
Upstreamingin het verslag heeft gekregen en de omstandigheid dat de overige partijen zowel schriftelijk als mondeling hebben kunnen reageren op de vermeerdering van de grondslag van het verzoek en dat [verweerster 2] dat ook daadwerkelijk heeft gedaan door gemotiveerd te betogen dat de
Upstreamingniet als wanbeleid kan worden aangemerkt. In verband met het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv Pro. heeft de advocaat van [verweerster 1] ter zitting desgevraagd verklaard dat zij haar nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017 ook heeft toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden.”
De Upstreamingheeft de ondernemingskamer onder meer overwogen als volgt:
Upstreamingeruit bestaat dat € 45 miljoen van de door [verweerster 2] op 22 juli 2008 aangetrokken bancaire kredietfaciliteit van € 75 miljoen (de
Clubdeal) naar haar grootaandeelhouder [D] is gevloeid: (a) in strijd met de door [verweerster 2] met de banken overeengekomen beperking van de
Upstreamingtot € 15 miljoen, (b) zonder de vereiste goedkeuring van de raad van commissarissen, (c) zonder het bedingen van enige zekerheid voor de terugbetaling door [D] en (d) uitgevoerd door [betrokkene 1] die daarbij een evident tegenstrijdig belang had omdat hij tevens bestuurder was van [D] . Met betrekking tot deze elementen overweegt de Ondernemingskamer als volgt.
(…)
Upstreamingen evenmin op welke wijze het bestuur van [verweerster 2] aandacht heeft besteed aan het tegenstrijdig belang tussen [verweerster 2] en [D] . Gelet op dat tegenstrijdig belang had [betrokkene 1] , die op dat moment zowel bestuurder was van [verweerster 2] als van [D] , zich van besluitvorming over de
Upstreamingmoeten onthouden. Voor zover - zoals de onderzoeker aannemelijk acht (zie onderzoeksverslag 168) - [betrokkene 6] , die een persoonlijk belang had bij de
Upstreaming(zie onderzoeksverslag 167), druk uitoefende op [betrokkene 1] en [verzoeker] , hadden zij daaraan weerstand moeten bieden.”
De verkrijging van het [G] Belang. Daarna geeft de ondernemingskamer een oordeel over
De overname van [verweerster 2] (rov. 5.28-5.33). Onder het kopje
De verantwoordelijkheid voor het wanbeleidheeft de ondernemingskamer onder meer overwogen als volgt:
Upstreamingen de verwerving van het [G] Belang. De Ondernemingskamer verwijst naar hetgeen hierboven over deze onderwerpen en de rol van [betrokkene 1] , [verzoeker] en [betrokkene 6] is overwogen.”
Upstreamingen de verwerving van het [G] Belang. Het verbeterpunt onder b gaat erover dat [betrokkene 6] ten onrechte niet veroordeeld is in de proceskosten aan de zijde van [verweerster 1] en blijft hier verder buiten beschouwing.
Upstreamingontstane schuld van [D] aan [verweerster 2] te accepteren. De genoemde overwegingen bevatten ten aanzien van [betrokkene 6] geen aanknopingspunten voor de vaststelling van zijn verantwoordelijkheid (als commissaris van [verweerster 2] ) voor de verwerving van het [G] Belang, terwijl in rechtsoverweging 5.15 wel wordt ingegaan op de rol van [betrokkene 6] bij de
Upstreaming.
De Ondernemingskamer acht [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] en [betrokkene 6] als commissaris van [verweerster 2] verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de Upstreaming. Voorts acht de Ondernemingskamer [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. De Ondernemingskamer verwijst naar hetgeen hierboven over deze onderwerpen en de rol van [betrokkene 1] , [verzoeker] en [betrokkene 6] is overwogen.”
“naar alle overige belanghebbenden zoals genoemd in de bijlage van uw oproepingsbrief van 20 januari 2017.”
3.De bespreking van het cassatiemiddel
Upstreaming, de verwerving van het [G] Belang en de
Carve Outschade heeft geleden. Weliswaar staat volgens de ondernemingskamer met de vaststelling van wanbeleid en de aanwijzing van degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn, civielrechtelijke aansprakelijkheid van betrokkenen niet vast, maar dat doet er naar haar oordeel niet aan af dat op grond van de inhoud van de wanbeleidbeschikking voldoende aannemelijk is dat op de in de uitkoopprocedure te hanteren peildatum tot het vermogen van [verweerster 2] vorderingen behoorden op derden, onder wie (voormalige) bestuurders, tot vergoeding van die schade (rov. 2.24). De ondernemingskamer schat de waarde van deze vorderingen op (ten minste) € 30 miljoen en draagt de te benoemen deskundige op bij de waardering van de aandelen uit te gaan van het bestaan van bedoelde vorderingen met een waarde van € 30 miljoen (rov. 2.28).
Ogem-beschikking heeft de Hoge Raad beslist dat de vaststelling dat er sprake is van wanbeleid - behoudens cassatie - bindend is, ook in andere procedures, voor diegenen die in de onderhavige procedure zijn verschenen. [29] Maeijer merkt naar aanleiding van deze rechtsoverweging in zijn noot onder die beschikking op dat bestuurders en commissarissen er voortaan wellicht goed aan zouden doen om in een enquêteprocedure niet meer als belanghebbende te verschijnen, omdat hun positie in een eventueel te entameren aansprakelijkheidsprocedure dan sterker zou zijn. [30] Dit moeilijke dilemma speelt heden ten dage ook nog. [31] Om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen of bestuurders en commissarissen al dan niet in de enquêteprocedure willen verschijnen als belanghebbende is een adequate oproeping in de zin van art. 271 e.v. Rv vereist. Dat bestuurders en commissarissen als belanghebbenden de mogelijkheid hebben om te verschijnen in de enquêteprocedure is niet alleen van belang voor hun eigen procesrechtelijke positie. Het verschijnen in de tweede fase van de enquêteprocedure past mijns inziens ook bij het enquêterecht als verantwoordingssysteem (nr. 3.1 hiervoor). Door als belanghebbenden te verschijnen kunnen bestuurders en commissarissen jegens de ondernemingskamer verantwoording afleggen over het beleid en de gang van zaken van de vennootschap en hebben zij de mogelijkheid gemotiveerd te betogen dat en waarom zich geen wanbeleid in de zin van art. 2:355 lid 1 BW Pro bij de vennootschap heeft voorgedaan. Dat past bij hun taak als bestuurder of commissaris. [32]
Ogem-beschikking is door de Hoge Raad beslist dat art. 2:359 BW Pro niet derogeert aan art. 426 lid 1 Rv Pro, zodat ook cassatieberoep toekomt aan bijvoorbeeld bestuurders of commissarissen die als belanghebbenden voor de ondernemingskamer zijn verschenen en verweer hebben gevoerd. [34] Vaststaat dat [verzoeker] niet is verschenen. Hij heeft geen verweerschrift ingediend en is niet gehoord. [35] Op grond van art. 426 lid 1 Rv Pro staat beroep in cassatie tegen beschikkingen op rekest open voor “degenen die in een der vorige instantiën verschenen zijn”. Naar de letter van de wet zou dat betekenen dat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn cassatieberoep. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen echter mee dat moet worden aangenomen dat de in art. 426 lid 1 Rv Pro gebezigde woorden “in een der vorige instantiën verschenen zijn” niet de strekking hebben om beroep in cassatie uit te sluiten als de niet-verschenen belanghebbende buiten zijn schuld niet in het geding is verschenen. [36] [verzoeker] doet in zijn cassatieverzoekschrift een beroep op deze uitzondering door te stellen dat hij niet (deugdelijk) is opgeroepen. [37] Naar ik begrijp uit het verweerschrift in cassatie, tevens houdende niet-ontvankelijkheidsverweer zijdens [verweerster 1] gaat ook [verweerster 1] ervan uit dat [verzoeker] ontvankelijk is indien de bedoelde uitzondering zich voordoet. [38] Voor de vraag of [verzoeker] kan worden ontvangen in zijn cassatieberoep komt het derhalve aan op de vraag of hij deugdelijk door de ondernemingskamer is opgeroepen. Mijns inziens is uit de ambtshalve bij de ondernemingskamer opgevraagde informatie voldoende komen vast te staan dat [verzoeker] buiten zijn schuld niet in het geding is verschenen. De oproepingsbrief voor de tweede fase van de enquêteprocedure van 25 oktober 2016 is blijkens de opgevraagde informatie (nr. 2.17 hiervoor) per gewone brief verstuurd naar zijn oude woonadres in België , waar hij sinds 2010 niet meer woonachtig is (nr. 2.20 hiervoor). Nu van een oproeping ex art. 277 lid 1 Rv Pro (aangetekend schrijven met ontvangstbevestiging of daarmee gelijkwaardige wijze van verzending) of art. 277 lid 2 Rv Pro (via een “ontvangende instantie” in België ) of ex art. 272 Rv Pro (plaatsing van de oproeping in de Staatscourant) niet is gebleken, concludeer ik dat [verzoeker] buiten zijn schuld niet in het geding is verschenen en ontvangen dient te worden in zijn cassatieberoep. [39] Ik betrek daarbij ook de aard van de cassatieklachten, die juist betrekking hebben op de wijze waarop [verzoeker] door de ondernemingskamer is opgeroepen. [40] Ik noem voorts nog een wetssystematisch argument waarom [verzoeker] in zijn cassatieberoep ontvangen dient te worden. Op grond van art. 358 Rv Pro staat ook voor in eerste aanleg niet-verschenen belanghebbenden hoger beroep open tegen beschikkingen. [41] De wetgever is er kennelijk aan voorbijgegaan dat het onredelijk is dat ex art. 426 lid 1 Rv Pro geen cassatieberoep openstaat voor in de vorige instanties niet-verschenen belanghebbenden. [42]
Upstreamingniet in stand kan blijven, omdat bij gebreke van nadere oproeping de vermeerdering van het verzoek gelet op art. 283 jo Pro. 130 lid 3 Rv te zijn aanzien is uitgesloten. Rov. 5.8 geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting nu met het toezenden van de nadere schriftelijke reactie door de advocaat van [verweerster 1] niet voldaan is aan de verplichting van de ondernemingskamer ex art. 130 lid 3 Rv Pro om [verzoeker] als niet-verschenen belanghebbende deugdelijk op te roepen.
tijdig bij explootaan de niet verschenen partijen bekend is gemaakt [curs. A-G].” [59]
de factoaan het vereiste van 130 lid 3 Rv is voldaan [curs. A-G].”
Upstreamingwanbeleid is.”).
Upstreamingeveneens niet in stand kan blijven, nu in ieder geval sprake is van een verandering van het verzoek, ten aanzien waarvan [verzoeker] eveneens had behoren te worden opgeroepen. Het onderdeel klaagt voorts dat een eventueel oordeel dat geen sprake is van een vermeerdering van het verzoek ten aanzien van [verzoeker] onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
veranderingvan verzoek. De ondernemingskamer stelt in rov. 5.8 immers vast dat [verweerster 1] in haar verzoekschrift de
Upstreamingniet als een afzonderlijke grond voor vaststelling van wanbeleid heeft genoemd, en [verweerster 1] in haar nadere schriftelijke reactie wel met zoveel woorden heeft gesteld dat de
Upstreamingwanbeleid is. Deze lezing van rov. 5.8, dat naar het oordeel van de ondernemingskamer in ieder geval sprake is van een verandering van het verzoek, vindt mijns inziens ook steun in de overwegingen dat “artikel 283 jo Pro. 130 Rv. ook van toepassing [is] op de tweede fase procedure” en dat “[i]n verband met het bepaalde in artikel 130 lid 3 Rv Pro. de advocaat van [verweerster 1] ter zitting desgevraagd [heeft] verklaard dat zij haar nadere schriftelijke reactie van 23 februari 2017 ook heeft toegezonden aan de niet verschenen belanghebbenden”. Deze overwegingen zouden bij een andere lezing zonder betekenis zijn.
Upstreamingals afzonderlijke grond – naast de verwerving van het [G] Belang - voor de vaststelling van wanbeleid te noemen in ieder geval sprake zou zijn van een vermeerdering van het verzoek. De ondernemingskamer wijst in rov. 5.8 op de nauwe samenhang tussen de
Upstreamingen de verwerving van het [G] Belang. De onderzoeker heeft in zijn verslag geen onderscheid gemaakt tussen de
Upstreamingen de verwerving van het [G] Belang en bespreekt de
Upstreamingin het kader van wanbeleid ten aanzien van de verkrijging van het [G] Belang (rov. 5.8: “de aandacht die de
Upstreamingin het verslag heeft gekregen”; zie ook de passages uit het onderzoeksverslag weergegeven in rov. 4.1 van de beschikking). De onderzoeker is alles afwegend tot de conclusie gekomen dat de verkrijging van het [G] Belang blijk geeft van wanbeleid en dat de verantwoordelijkheid daarvoor hoofdzakelijk bij [betrokkene 6] ligt (onderzoeksbevinding 170, weergeven in rov. 4.1 van de beschikking). Ik begrijp het oordeel van de ondernemingskamer zo dat zij een onderscheid heeft willen aanbrengen tussen wanbeleid ten aanzien van de
Upstreaming(rov. 5.10-5.15) en ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang (5.16-5.27) om vervolgens zodoende ook te kunnen differentiëren in het vaststellen van verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien van de
Upstreamingen ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. [verzoeker] wordt door de ondernemingskamer in rov. 5.56 en in het dictum (na verbetering ex art. 31 Rv Pro bij de beschikking 6 april 2018) verantwoordelijk gehouden voor het vastgestelde wanbeleid ten aanzien van zowel de
Upstreamingals de verwerving van het [G] Belang. In het verzoekschrift van 4 oktober 2016 (nr. 2.11 hiervoor) heeft [verweerster 1] onder meer verzocht om vaststelling van wanbeleid en om vaststelling van verantwoordelijke personen voor dat wanbeleid, onder wie [verzoeker] . Onder 4 van het verzoekschrift van 4 oktober 2016 wordt ingegaan op de verantwoordelijken voor het wanbeleid. Onder verwijzing naar de onderzoeksbevindingen wordt onder 4.2-4.3 (p. 17) onder meer opgemerkt dat [betrokkene 6] hoofdverantwoordelijkheid draagt voor de
Upstreamingdie heeft geleid tot de verkrijging van het [G] belang en dat [betrokkene 6] een persoonlijk belang had bij de
Upstreaming(in die zin ook rov. 5.8). Onder 4.5 (p. 18) wordt voorts vermeld dat [verweerster 1] instemt met de bevinding van de onderzoeker dat de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid hoofdzakelijk bij [betrokkene 6] ligt “met dien verstande dat zij van mening is dat [betrokkene 6] weliswaar de initiator en kwade genius was, maar dat het bestuur ( [betrokkene 1] en
[verzoeker]) en de onafhankelijke commissarissen ( [betrokkene 7] , [betrokkene 8] en [verweerder 3] ) vanuit hun respectievelijke verantwoordelijkheden verzet hadden moeten bieden door hun medewerking aan
de gewraakte transactieste onthouden [curs. A-G].” Voor zover onderdeel (b) klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.8 onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd nu [verweerster 1] in haar verzoekschrift slechts aan haar standpunt dat
[betrokkene 6]verantwoordelijk is voor het wanbeleid ten grondslag heeft gelegd dat hij verantwoordelijk is voor en een persoonlijk belang had bij de
Upstreaming(maar dat dus niet voor
[verzoeker]geldt) mist het onderdeel mijns inziens, gelet op de hiervoor aangehaalde passage achter randnummer 4.5 van het verzoekschrift van 4 oktober 2016, feitelijke grondslag.
Upstreamingen de verwerving van het [G] Belang. Door de oproeping bij gewone brief te sturen naar een adres waar hij sinds 2010 niet meer woonachtig is, lijkt zich de situatie te hebben verwezenlijkt dat hem de kans is ontnomen om zich als bestuurder van de vennootschap te verweren tegen het vastgestelde wanbeleid en zijn verantwoordelijkheid daarvoor. Dat is een fundamenteel gebrek.
Upstreaming(onderdelen (a) en (b)) kan de beschikking van 6 februari 2018 niet in stand blijven.
Thuiszorg/Plum. [71] In die zaak had de rechtbank in hoger beroep Thuiszorg veroordeeld aan Plum te betalen een bedrag van
ƒ54.000,-- wegens kennelijk onredelijk ontslag, zonder dat uit het vonnis bleek of het bedrag bruto of netto was bedoeld. De rechtbank heeft vervolgens, zonder Thuiszorg te horen, haar vonnis verbeterd in de zin dat de veroordeling het bruto equivalent van
ƒ54.000,-- betrof. In een tweede verbeteringsvonnis heeft de rechtbank het verzuim Thuiszorg te horen getracht te herstellen. De rechtbank handhaafde haar oordeel dat het ging om het bruto equivalent. De Hoge Raad oordeelde dat het vonnis ontoelaatbaar onduidelijk was en dat verbetering - welke verbetering zoals hierna zal blijken niet toelaatbaar is - daarin geen verandering brengt. [72] De Hoge oordeelde verder dat de rechtbank buiten het toepassingsgebied is getreden van de in de rechtspraak ontwikkelde regel van procesrecht [73] die verbetering van een uitspraak toelaat als daarin een kennelijke, ook voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare verschrijving voorkomt, nu in dit geval geenszins sprake was van een zodanige verschrijving. De Hoge Raad oordeelde voorts dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door Thuiszorg niet in de gelegenheid te stellen zich over een eventuele verbetering uit te laten vóórdat zij haar vonnis verbeterde. [74]
nietdoor te wijzen op een tegenstrijdigheid tussen rov. 5.56 en het dictum, maar door te wijzen op een tegenstrijdigheid tussen rov. 5.56 en rov. 5.16-5.27. In rov. 5.16-5.27 heeft ondernemingskamer geoordeeld over de vraag of zich wanbeleid heeft voorgedaan ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang en in rov. 5.56 heeft de ondernemingskamer geoordeeld over de vraag wie verantwoordelijk zijn voor het vastgestelde wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. De ondernemingskamer overweegt in rov. 2.1 van de verbeteringsbeschikking dat uit rov. 5.16-5.27 “onmiskenbaar [volgt] dat [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang, dat onder meer is gelegen in de beslissing van [verweerster 2] om verwerving van het [G] Belang als betaling van de door de
Upstreamingontstane schuld van [D] aan [verweerster 2] te accepteren. De genoemde overwegingen bevatten ten aanzien van [betrokkene 6] geen aanknopingspunten voor de vaststelling van zijn verantwoordelijkheid (als commissaris) voor de verwerving van het [G] Belang, terwijl in rechtsoverweging 5.15 wel wordt ingegaan op de rol van [betrokkene 6] bij de
Upstreaming.”
waar– in het dictum of in het lichaam - de ondernemingskamer steekjes heeft laten vallen. Dat vergt volgens de ondernemingskamer in rov. 2.1 interpretatie van de beschikking, in het bijzonder van de rov. 5.16-5.27 die de ondernemingskamer ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat de verwerving van het [G] Belang wordt aangemerkt als wanbeleid. Het oordeel van de ondernemingskamer dat uit rov. 5.16-5.27 “onmiskenbaar” volgt dat [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang en [betrokkene 6] als commissaris daarvoor niet verantwoordelijk is, is mijns inziens niet voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Uit rov. 5.16-5.27, die gaan over de vaststelling van wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang, kan mijns inziens niet zonder enige twijfel worden afgeleid dat de ondernemingskamer heeft bedoeld [betrokkene 1] en [verzoeker] als bestuurders van [verweerster 2] verantwoordelijk te houden voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang en [betrokkene 6] als commissaris van [verweerster 2] niet. Mijns inziens maken rov. 5.16-5.27 niet overduidelijk in hoeverre rov. 5.56 of het dictum is wat de ondernemingskamer heeft bedoeld te beslissen over de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang. Nu discussie mogelijk is over de vraag bij wie de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien van de verwerving van het [G] Belang is gelegd, is mijns inziens geen sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent, een en ander als bedoeld in art. 31 lid 1 Rv Pro. Dat debat mogelijk is over wat de ondernemingskamer hierover heeft bedoeld te beslissen blijkt al uit de verschillende standpunten die door partijen en verschenen belanghebbenden zijn ingenomen over de wijze waarop de beschikking verbeterd zou moeten worden (rov. 1.5-1.8 van de verbeteringsbeschikking). De beschikking is op het punt van de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid ten aanzien de verwerving van het [G] Belang ontoelaatbaar onduidelijk, welke onduidelijkheid zich niet op de voet van art. 31 lid 1 Rv Pro laat herstellen.