ECLI:NL:PHR:2005:AU4839
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling braak en overschrijding redelijke termijn bij poging tot diefstal met inklimming
In deze zaak werd verdachte veroordeeld voor poging tot diefstal door inklimming, waarbij hij een kunststof ruit uit een roldeur van een autoschadebedrijf verwijderde om binnen te komen. Het hof kwalificeerde dit als braak, wat door de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk werd bevonden, ook al was discussie over de definitie van braak in de literatuur aanwezig. Het verwijderen van de ruit veroorzaakte immers een beschadiging die de deur functioneel onbruikbaar maakte als afsluiting.
Daarnaast speelde de vraag of het openbaar ministerie ontvankelijk bleef in de vervolging ondanks overschrijding van de redelijke termijn tussen vonnis en hoger beroep. Het hof stelde vast dat het OM niet voldoende pogingen had gedaan om de verstekmededeling aan verdachte te betekenen, maar verbond hieraan geen rechtsgevolg omdat het belang van normhandhaving zwaarder woog dan het belang van de verdachte bij verval van vervolgingsrecht.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees erop dat de verdachte geen vaste verblijfplaats had en naar het buitenland was vertrokken zonder adres achter te laten. Het OM had de verdachte in het opsporingsregister geplaatst en redelijk gehandeld gezien de omstandigheden. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld voor poging tot diefstal met inklimming door middel van braak en het openbaar ministerie blijft ontvankelijk ondanks overschrijding van de redelijke termijn.