ECLI:NL:HR:2005:AS4741
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Beoordeling overschrijding redelijke termijn bij verstekzaak en betekening
In deze strafzaak stond de vraag centraal of de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden door het tijdsverloop tussen het wijzen van vonnissen en de betekening van verstekmededelingen aan de verdachte. De verdachte was niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens gedurende een lange periode en had geen voorzieningen getroffen om kennis te nemen van processtukken. Hierdoor konden mededelingen niet effectief aan hem worden betekend.
De Hoge Raad bevestigde dat een verdachte die nalatig is in het doorgeven van verhuizingen en het treffen van gebruikelijke voorzieningen zich niet met succes kan beroepen op schending van het recht op een redelijke termijn. Het hof had geoordeeld dat de vertraging niet aan het Openbaar Ministerie kon worden toegerekend zolang de verdachte niet was ingeschreven. Na herinschrijving was de verstekmededeling niet tijdig betekend, wat tot een overschrijding leidde, maar zonder rechtsgevolg vanwege de beperkte straf en mate van overschrijding.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verdachte voldoende maatregelen had moeten nemen om kennis te nemen van de dagvaarding in hoger beroep. De rechter dient in verstekzaken ambtshalve te onderzoeken of de redelijke termijn is overschreden en dit gemotiveerd te beoordelen. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheid van de verdachte om medewerking te verlenen aan een tijdige procesgang.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de redelijke termijn niet is overschreden met rechtsgevolg.