ECLI:NL:PHR:2005:AU6089
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding na dodelijk bedrijfsuitje: uitleg en toepassing art. 6:108 BW
In deze zaak vordert een samenwonende nabestaande schadevergoeding van het organisatiebureau Organice wegens het overlijden van zijn partner tijdens een bedrijfsuitje. De partner overleed na een val van een togglebaan, waarbij een zekeringskoord niet werd gebruikt. Organice erkende aansprakelijkheid en betaalde voorschotten, maar betwistte de omvang van de schadevergoeding.
De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 6:108 BW Pro, met name de voorwaarden waaronder samenwonenden aanspraak kunnen maken op vergoeding van gederfd levensonderhoud en huishoudelijke hulp. De rechtbank stelde vast dat de partner voor een groot deel in het levensonderhoud van de eiser voorzag en matigde de begrafeniskosten. Het hof wees de vergoeding voor gederfd levensonderhoud af, oordeelde dat de huishoudelijke hulp niet toewijsbaar was en matigde de begrafeniskosten verder.
De Hoge Raad onderzoekt uitgebreid de wetsgeschiedenis en parlementaire stukken van art. 6:108 BW Pro. Hij verduidelijkt dat het behoeftigheidscriterium voor samenwonenden niet losstaat van de algemene behoefte aan levensonderhoud, zoals in het alimentatierecht, en dat de omvang van de schadevergoeding mede wordt bepaald door de concrete situatie van de nabestaande. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde, met name ten aanzien van de huishoudelijke hulp en de uitleg van de behoeftigheidseis.
De zaak wordt vernietigd en verwezen voor verdere behandeling en beslissing, waarbij de juiste toepassing van art. 6:108 BW Pro moet worden gewaarborgd.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met correcte toepassing van art. 6:108 BW.