ECLI:NL:PHR:2006:AU0903
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugbetaling douanerechten en omzetbelasting bij onregelmatigheden in extern communautair douanevervoer
De zaak betreft verzoeken van X B.V., een douane-expediteur, om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting die zij had betaald naar aanleiding van uitnodigingen tot betaling (UTB's) wegens onregelmatigheden tijdens extern communautair douanevervoer. De Douanekamer stelde vast dat de kennisgevingen van niet-zuivering onvolledig waren, met name doordat zij niet duidelijk maakten dat bewijs kon worden geleverd over de plaats van de onregelmatigheid, wat volgens het HvJ EG een vereiste is voor inning van de douaneschuld.
De Douanekamer oordeelde dat de inspecteur niet bevoegd was om de douanerechten te innen voor sommige zendingen, waardoor terugbetaling moest worden verleend. Voor de omzetbelasting werd geoordeeld dat terugbetaling mogelijk is indien het geheven bedrag niet wettelijk verschuldigd was, waarbij ook de leveringscondities (Incoterms) een rol spelen bij de vraag of de goederen al waren geleverd in de zin van de Wet op de omzetbelasting.
De staatssecretaris stelde in cassatie drie middelen aan de orde, onder meer over de ontvankelijkheid van verzoeken om terugbetaling bij ontoereikende kennisgevingen, de koppeling tussen terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting, en de toepassing van leveringscondities. De Hoge Raad overwoog dat de kennisgevingen aan strikte voorwaarden moeten voldoen en dat gebreken daarin kunnen leiden tot ontoereikende inning bevoegdheid. Tevens werd benadrukt dat de wettelijke verschuldigdheid van douanerechten op het moment van ontstaan van de douaneschuld ligt, los van de mededeling en inning. De Hoge Raad overweegt de zaak aan te houden in afwachting van een arrest van het HvJ EG over de precieze reikwijdte van artikel 236 CDW Pro.
De zaak bevat ook een uitgebreide analyse van de relatie tussen douanerecht en omzetbelasting, waarbij wordt bevestigd dat terugbetaling van omzetbelasting ook kan worden gevorderd indien de douanerechten niet wettelijk verschuldigd zijn, maar dat de Wet op de omzetbelasting eigen bepalingen bevat die relevant zijn voor de verschuldigdheid. De toepassing van leveringscondities zoals FOB, CIF en FCA is relevant voor de vraag wanneer de levering in fiscale zin heeft plaatsgevonden en daarmee wie de belastingplichtige is.
Ten slotte wordt bevestigd dat de plaats waar de douaneschuld is ontstaan bepalend is voor de inningsbevoegdheid, en dat het versturen van kennisgevingen niet uitsluit dat deze plaats alsnog kan worden vastgesteld. De Hoge Raad geeft aan dat er mogelijk sprake is van een dubbele rechtsgang binnen het CDW, waarbij verzoeken om terugbetaling en bezwaarmogelijkheden naast elkaar bestaan om rechtsbescherming te waarborgen.
Uitkomst: De Hoge Raad heeft de zaak aangehouden in afwachting van een prejudiciële uitspraak van het HvJ EG over de uitleg van artikel 236 CDW.