ECLI:NL:HR:2006:AU0903
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over begrip 'wettelijk verschuldigd' in artikel 236 CDW bij vaststelling plaats douaneschuld
Belanghebbende heeft verzoeken tot terugbetaling van omzetbelasting en douanerechten ingediend, welke door de Inspecteur zijn afgewezen. Na bezwaar en beroep bij het Hof, waarbij het beroep deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en deels gegrond werd verklaard, heeft de Staatssecretaris beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.
De kern van het geschil betreft de vraag of de vaststelling van de plaats van het ontstaan van de douaneschuld, die niet is geschied conform de Uitvoeringsverordening CDW, ertoe leidt dat de bedragen niet als wettelijk verschuldigd in de zin van artikel 236 CDW Pro kunnen worden beschouwd. Het Hof had geoordeeld dat zonder een kennisgeving die voldoet aan artikel 379 van Pro de Uitvoeringsverordening CDW de Inspecteur niet bevoegd was om de douanerechten te innen.
De Hoge Raad constateert dat het ontstaan van de douaneschuld en de vaststelling van de plaats daarvan verschillende aspecten zijn en dat het niet met zekerheid kan worden vastgesteld of het niet voldoen aan de kennisgevingsvereiste betekent dat de schuld niet wettelijk verschuldigd is. Daarom verzoekt de Hoge Raad het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing over de uitleg van het begrip 'niet wettelijk verschuldigd' in artikel 236 CDW Pro.
De verdere beslissing wordt aangehouden en het geding geschorst totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitleg over de uitleg van 'niet wettelijk verschuldigd' in artikel 236 CDW.