ECLI:NL:PHR:2009:BF9243
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid tot terugbetaling douanerechten bij gebrekkige kennisgevingen en erkenning onrechtmatigheid
De zaak betreft een verzoek van Road Air Logistics Customs B.V. om terugbetaling van douanerechten en omzetbelasting, na onregelmatigheden bij communautair douanevervoer en gebrekkige kennisgevingen door het douanekantoor van vertrek.
De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de wettelijke verschuldigdheid van douanerechten wanneer de plaats van het ontstaan van de douaneschuld niet volgens de uitvoeringsverordening is vastgesteld. Het HvJ EG oordeelde dat dit niet betekent dat de rechten niet wettelijk verschuldigd zijn.
De Hoge Raad overweegt dat de douanerechten wettelijk verschuldigd zijn, ook al was de douane niet bevoegd tot inning vanwege het niet naleven van kennisgevingsprocedures. De procedure van bezwaar tegen uitnodigingen tot betaling en die van verzoek om terugbetaling of kwijtschelding naast elkaar bestaan, maar belanghebbende kan geen beroep doen op artikel 239 CDW Pro omdat de situatie niet uitzonderlijk is.
Verder bespreekt de Hoge Raad de bevoegdheid van de inspecteur om ambtshalve een uitnodiging tot betaling te verminderen, ook na een definitief geworden uitspraak op bezwaar, en bevestigt dat bestuursorganen onder bepaalde voorwaarden op definitieve besluiten kunnen terugkomen, mede op basis van het arrest Kühne & Heitz.
Ten slotte behandelt de Hoge Raad de doorbreking van formele rechtskracht bij erkenning van onrechtmatigheid door het bestuursorgaan, waarbij het moment van erkenning niet strikt vóór het verstrijken van de termijn voor het aanwenden van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen hoeft te liggen. De erkenning moet wel zodanig zijn dat de burger dit redelijkerwijs kan begrijpen. De Hoge Raad geeft de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond en bevestigt dat de douanerechten wettelijk verschuldigd zijn, maar dat de Inspecteur niet bevoegd was tot inning zonder correcte kennisgevingen en dat bestuursorganen besluiten kunnen herzien en onrechtmatigheid kunnen erkennen.