ECLI:NL:PHR:2006:AU3298
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing klacht over weigering aanhoudingsverzoek raadsman bij afwezigheid verdachte
In deze zaak is de verdachte in hoger beroep veroordeeld wegens medeplegen van fraude en onttrekking aan pandrecht. Tijdens de terechtzitting verscheen de verdachte niet, terwijl zijn raadsman wel aanwezig was maar niet gemachtigd om de verdediging te voeren. De raadsman gaf aan dat hij zijn cliënt had verwacht en dat hij geen aanhoudingsverzoek heeft kunnen doen.
De Hoge Raad overweegt dat uit het proces-verbaal en de aan het hof gezonden brief geen aanwijzingen blijken dat de voorzitter de raadsman heeft belet een aanhoudingsverzoek te doen. De formulering dat de raadsman niet het woord ter verdediging kon voeren, impliceert niet dat hij niet mocht verzoeken om aanhouding.
De Hoge Raad benadrukt dat van een raadsman assertiviteit mag worden verwacht en dat het ontbreken van een aanhoudingsverzoek waarschijnlijk te wijten is aan het verzuim van de raadsman zelf. De rechter is niet verplicht ambtshalve na te gaan of er redenen zijn om de terechtzitting aan te houden als de verdachte niet verschijnt en de raadsman niet om aanhouding verzoekt.
Verder constateert de Hoge Raad dat het proces-verbaal onzorgvuldig is opgesteld, met onjuiste vermeldingen over de rol van de raadsman bij getuigenverhoren, maar dat dit niet leidt tot nietigheid van het proces-verbaal. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de klacht over het weigeren van een aanhoudingsverzoek geen feitelijke grondslag heeft.