ECLI:NL:PHR:2006:AU6091
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige overheidsdaad wegens onterechte vrijheidsbeneming advocaat en persmededeling Kanaaleiland-affaire
In deze zaak staat centraal de onrechtmatige vrijheidsbeneming van een advocaat in 1986 en de mededeling van het openbaar ministerie aan de pers dat zijn aanhouding verband hield met het onderzoek naar de Kanaaleiland-affaire. De advocaat werd niet vervolgd wegens onvoldoende aanwijzingen van schuld, maar eiste schadevergoeding voor inkomens- en reputatieschade.
De rechtbank en het hof stelden vast dat de reputatie van de advocaat ernstig was beschadigd door de vrijheidsbeneming en de persberichten. Het hof bepaalde dat 75% van de reputatieschade aan de Staat toe te rekenen was en 25% aan de advocaat zelf vanwege zijn zakelijke banden met controversiële figuren. De inkomensschade werd berekend op basis van het verschil tussen de verwachte winst en de werkelijke winst over een periode van 1987 tot 1992.
De Staat voerde diverse verweren aan, onder meer dat de schade niet volledig aan haar kon worden toegerekend en dat de advocaat onvoldoende schadebeperking had betracht. De Hoge Raad oordeelde onder meer dat het hof terecht de schadeverdeling had vastgesteld, dat de belastinggarantie van de Staat niet hoefde te worden gehandhaafd, en dat de rentevergoeding vanaf 1 september 1990 verschuldigd was. Tevens werd vastgesteld dat de Staat niet gehouden was tot een persbericht of rehabilitatie in de door de advocaat gewenste zin.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof slechts gedeeltelijk en verwierp het cassatieberoep voor het overige, waarbij het hof de schadevergoeding grotendeels in stand hield. De zaak betreft een complexe afweging van onrechtmatige overheidsdaad, schadeberekening, eigen schuld en procesrechtelijke aspecten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest deels inzake rente en belastinggarantie, wijst het cassatieberoep voor het overige af en bevestigt de schadevergoeding aan de advocaat.