ECLI:NL:PHR:2006:AU6747
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt wederrechtelijke toe-eigening van gevonden creditcards
Op 22 februari 2002 werd verdachte gearresteerd met twee creditcards in zijn portemonnee, die op naam stonden van anderen. Verdachte verklaarde deze kaarten gevonden te hebben, maar had deze niet gemeld aan de politie, terwijl hij daartoe wettelijk verplicht was. Het hof concludeerde dat het feit dat de kaarten in de daarvoor bestemde vakjes van de portemonnee waren opgeborgen, duidde op wederrechtelijke toe-eigening.
De verdediging stelde dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat sprake was van wederrechtelijke toe-eigening. De Hoge Raad oordeelde echter dat het niet melden van de gevonden kaarten en het feit dat deze in de portemonnee waren opgeborgen, een gedragswijziging en het voornemen tot toe-eigening impliceren.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde het oordeel van het hof dat verdachte zich de creditcards wederrechtelijk had toegeëigend. Ook werd het civielrechtelijke kader van de plicht tot aangifte van gevonden goederen betrokken bij de beoordeling. Hierdoor werd de veroordeling tot twee weken gevangenisstraf gehandhaafd.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens wederrechtelijke toe-eigening van gevonden creditcards.