ECLI:NL:PHR:2006:AU6927
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Werkgeversaansprakelijkheid voor asbestblootstelling en mesothelioom bij monteur
De zaak betreft een geschil tussen Installatiegroep Van Buuren Van Swaay B.V. en de erven van een oud-werknemer die tussen 1965 en 1967 als monteur werkte en later mesothelioom kreeg vastgesteld, een ziekte veroorzaakt door blootstelling aan asbest.
De erven stelden dat de werknemer tijdens werkzaamheden aan onder meer een oud postkantoor in Den Haag aan asbest was blootgesteld, terwijl Van Buuren dit betwistte en stelde dat zij geen asbestverwerkend bedrijf was en geen specifieke veiligheidsmaatregelen hoefde te treffen. De rechtbank oordeelde dat de werknemer inderdaad aan asbest was blootgesteld en dat Van Buuren aansprakelijk was omdat zij niet de noodzakelijke maatregelen had getroffen, ondanks dat de gevaren van asbest toen al bekend waren.
De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding toe aan de erven, maar hield rekening met het feit dat de vergoeding aan de erven toekwam en niet aan de overledene zelf. De Hoge Raad oordeelde dat dit onjuist was en dat het overlijden van de werknemer geen invloed mag hebben op de hoogte van de immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad verwierp tevens de meeste klachten van Van Buuren en bevestigde de aansprakelijkheid en de toegewezen schadevergoeding.
Uitkomst: De werkgever is aansprakelijk voor de asbestblootstelling en de immateriële schadevergoeding wordt toegekend aan de erven zonder matiging wegens overlijden.