ECLI:NL:PHR:2006:AU8060
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens ontbreken wettelijk voorschrift voor verwijderingsbevel op station
De zaak betreft de strafrechtelijke vervolging van een verdachte die zich niet hield aan een verwijderingsbevel van 14 dagen op het Amsterdam Centraal Station, gegeven op grond van artikel 7 van Pro het Algemeen Reglement Vervoer (ARV). Het hof had de verdachte veroordeeld wegens het niet opvolgen van dit bevel, dat was gegeven door het Hoofd van de Dienst Spoorwegpolitie en uitgereikt door een opsporingsambtenaar.
De Hoge Raad onderzocht of het bevel als bedoeld in artikel 184 Sr Pro, gegeven krachtens een wettelijk voorschrift door een ambtenaar met toezichtbevoegdheid, kon worden aangemerkt. De Raad concludeerde dat het ARV en de Spoorwegwet 1875 niet langer een voldoende wettelijke grondslag boden voor het bevel, mede gezien de introductie van de Wet personenvervoer 2000 (WPV 2000) en de Wet vervoersvoorwaarden openbaar vervoer, die het toepassingsgebied en bevoegdheden anders regelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het bevel niet was gegeven door een ambtenaar die krachtens wettelijk voorschrift met toezicht of opsporing belast was, maar slechts op grond van een mandaat van de stationsmanager, die zelf niet als ambtenaar met toezichtbevoegdheid fungeert. Hierdoor ontbrak de vereiste wettelijke basis voor het bevel in de zin van artikel 184 Sr Pro. Daarom werd het arrest van het hof vernietigd en de verdachte vrijgesproken om doelmatigheidsredenen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat het verwijderingsbevel niet krachtens wettelijk voorschrift door een bevoegde ambtenaar was gegeven.