ECLI:NL:PHR:2006:AV0055
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling faillietverklaring en toestand van betalingsonmacht volgens Faillissementswet
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam dat het faillissement van verzoekster bevestigde. Het hof oordeelde dat verzoekster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen, omdat summierlijk bleek dat er opeisbare vorderingen bestaan van het UWV en het CZV, en er sprake is van meerdere schuldeisers. Verzoekster had zekerheid aangeboden onder de voorwaarde dat de vorderingen onherroepelijk in rechte komen vast te staan, maar deze voorwaarde werd niet geaccepteerd.
Verzoekster stelde in cassatie dat het hof had moeten onderzoeken of zij bereid was de opeisbare vorderingen te voldoen, en dat een betalingsregeling met de fiscus het oordeel over de toestand van betalingsonmacht zou moeten beïnvloeden. De Hoge Raad verwierp deze bezwaren en bevestigde dat het hof terecht de opeisbaarheid en pluraliteit van vorderingen als voldoende grond voor faillietverklaring heeft aangemerkt. Ook het ontbreken van bewijs van betalingsregelingen met andere schuldeisers werd als relevant beschouwd.
De Hoge Raad benadrukte dat het oordeel over de toestand van betalingsonmacht een feitelijke waardering betreft die in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee het faillissement definitief werd bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster is verworpen en het faillissement is bevestigd.