ECLI:NL:PHR:2006:AV0846
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ondernemerschap en verbondenheid voor verbintenissen in maatschapsverband bij exploitatie relaxbedrijf
Belanghebbende, werkzaam als prostituee bij een relaxbedrijf, trad in 2001 toe tot een maatschap die samen met een stichting en een BV het bedrijf exploiteerde. Het Hof oordeelde dat belanghebbende wel winst uit onderneming genoot, maar niet rechtstreeks verbonden was voor verbintenissen betreffende die onderneming, waardoor zij geen recht had op zelfstandigenaftrek. Ook werd haar aftrek van kosten voor kleding en cosmetica geweigerd.
De Hoge Raad bekeek het verbondenheidscriterium uit artikel 3.4 Wet IB 2001, dat vereist dat een ondernemer rechtstreeks aansprakelijk is voor verbintenissen betreffende de onderneming. Uit de feiten bleek dat de stichting juridisch eigenaar was en de maatschap vertegenwoordigde, maar dat niet was aangetoond dat belanghebbende of de maatschap zelf niet rechtstreeks verbintenissen aanging. De stichting trad op als juridische huls, maar de maten konden wel zelfstandig overeenkomsten sluiten.
De Hoge Raad concludeerde dat belanghebbende als maat in een stille maatschap ondernemer is, omdat zij rechtstreeks verbonden is voor verbintenissen betreffende de onderneming. Dit betekent dat zij recht heeft op de zelfstandigenaftrek. De uitspraak van het Hof werd vernietigd en de zaak werd zelf afgedaan met toekenning van de zelfstandigenaftrek. De zaak geeft een uitgebreide toelichting op het ondernemersbegrip, het verbondenheidscriterium, en de positie van stille maten en zelfstandige beroepsbeoefenaren in de inkomstenbelasting.
Uitkomst: Belanghebbende is ondernemer en heeft recht op zelfstandigenaftrek over 2001.