ECLI:NL:PHR:2006:AV1594

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00844/05
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 SrArt. 81 RO
Verwijzingen
20 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over zwaar lichamelijk letsel en verwerpt beroep op noodweer en noodweerexces

Op 5 juni 2002 heeft verdachte het slachtoffer met een bougiesleutel meerdere keren tegen het hoofd geslagen, waarbij het slachtoffer een jukbeenfractuur opliep die onder algehele narcose werd gereponeerd en gefixeerd. Het slachtoffer ondervindt nog steeds klachten en moet een bril dragen.

Het hof heeft verdachte veroordeeld voor zware mishandeling en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De verdediging voerde cassatie in tegen de bewezenverklaring en het oordeel over noodweer en noodweerexces. De Hoge Raad oordeelde dat het letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, mede gelet op de medische verklaringen en het blijvende letsel.

Daarnaast verwierp de Hoge Raad het beroep op noodweer en noodweerexces, omdat het hof aannemelijk heeft gemaakt dat verdachte zelf de confrontatie zocht en dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding die noodzakelijke verdediging rechtvaardigde. Ook het beroep op noodweerexces faalt omdat de verdediging zelf niet noodzakelijk was. De middelen van cassatie zijn verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte voor zware mishandeling en verwerpt beroep op noodweer en noodweerexces.

Conclusie

Nr. 00844/05
Mr Machielse
Zitting 7 februari 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte op 4 januari 2005 ter zake van subsidiair "zware mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.
2. Mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. S.M. Krans, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1 Het eerste middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat sprake is van "zwaar" lichamelijk letsel.
3.2 Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:
""hij op 5 juni 2002 te [plaats] opzettelijk aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel aan het gelaat heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer] met die opzet met een bougiesleutel een of meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan"
3.3 Wat betreft het door de bewezenverklaarde mishandeling ontstane letsel kan in het bijzonder worden gewezen op de volgende, in de aanvulling op het verkorte arrest opgenomen, bewijsmiddelen:
- de op de zitting in hoger beroep afgelegde verklaring van het slachtoffer [slachtoffer], inhoudende onder meer als volgt (bewijsmiddel 3):
"(...) Ik ben in het ziekenhuis opgenomen in verband met het opgelopen letsel. Ik heb nog steeds last van de verwonding die op 5 juni 2002 in mijn gezicht heb opgelopen. Vanaf die tijd moet ik een bril dragen.";
- een geneeskundige verklaring betreffende het slachtoffer d.d. 5 juni 2002 van [betrokkene 1], als arts werkzaam bij het ziekenhuis Gooi Noord, inhoudende voorzover hier van belang (bewijsmiddel 5):
"Anamnese: op station in elkaar geslagen na ruzie met hard voorwerp op hoofd geslagen.
Onderzoek: barst/snijwond linkeroog 8 cm, 0,8 mm diep, onder linkeroog snijwond opp. 3 cm, neusrug snijwondje kleiner dan 1 cm opp, zygomafractuur links.
Diagnose: aangezichtsletsel.
Therapie/consult: gehecht, opname ter observatie."; en
- een geneeskundige verklaring betreffende het slachtoffer van 28 oktober 2002 van [betrokkene 2], als kaakchirurg werkzaam bij het ziekenhuis Gooi Noord, inhoudende onder meer (bewijsmiddel 6):
"Op 5 juni 2002 zag ik de heer [slachtoffer]. Ik constateerde een jukbeenfractuur links. Op 6 juni 2002 werd het jukbeen onder volledige narcose gereponeerd en gefixeerd met 4-gats titanium plaat. De patiënt kon op 7 juni weer naar huis. De genezingsduur zou op 2 maanden gesteld kunnen worden."
3.4 Art. 82 Sr Pro bevat een opsomming van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Die bepaling laat de rechter evenwel de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Dit brengt mee dat de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, in belangrijke mate is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, en dat zijn oordeel dienaangaande in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Zo zal de cassatierechter kunnen ingrijpen indien uit de bestreden beslissing niets blijkt omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van het medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.(1)
3.5 Ten laste van verdachte is dus kort gezegd bewezen verklaard dat hij [slachtoffer] op 5 juni 2002 met een bougiesleutel in het gezicht heeft geslagen. Naar aanleiding van dit incident is [slachtoffer] diezelfde dag in het ziekenhuis opgenomen, alwaar onder meer werd geconstateerd dat het slachtoffer bij de vechtpartij met verdachte een jukbeenfractuur had opgelopen. Dit gebroken jukbeen is op 6 juni 2002 door kaakchirurg [betrokkene 2] onder volledige narcose gereponeerd en gefixeerd met een 4-gats titanium plaat. Volgens [betrokkene 2] viel een genezingsduur van 2 maanden te verwachten.(2) Het slachtoffer zelf heeft op de zitting in hoger beroep verklaard nog steeds last te ondervinden van de verwonding, met name door het feit dat hij tengevolge van de klappen een bril nodig heeft. Er kan dus in casu bepaald niet worden gezegd dat over de aard van het toegebrachte letsel, de noodzaak en aard van het medisch ingrijpen alsmede het uitzicht op herstel niets vaststaat.
3.6 Overigens is in HR 12 oktober 1999, nr. 111.401, LJN ZD1568 een gebroken jukbeen en een gescheurde oogkas als zwaar lichamelijk letsel aangemerkt, tot welk oordeel de Hoge Raad mede is gekomen op grond van een tot het bewijs gebezigde verklaring van de kaakchirurg, inhoudende nadere informatie omtrent het toegebrachte letsel en de noodzakelijke geneeskundige behandeling. Dit medische handelen bestond - evenals de operatie in onderhavige zaak - uit het reponeren van het jukbeen in algehele anesthesie.
Het oordeel van het Hof dat in casu sprake is van zwaar lichamelijk letsel getuigt dan ook mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dat verdachte niet in levensgevaar heeft verkeerd en evenmin ongeneeslijk ziek danwel blijvend invalide is geraakt tengevolge van de mishandeling, zoals in het middel wordt aangevoerd, doet daaraan niet af. (3)
3.7 Het eerste middel faalt derhalve.
4.1 In het tweede middel wordt geklaagd dat het Hof het door de verdediging gedane beroep op noodweer(exces) ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.
4.2 Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:
"Verdachte heeft betoogd dat hij heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van zichzelf, waarbij mogelijk sprake is geweest van overschrijding van de grenzen daarvan. Die overschrijding zou echter het onmiddellijke gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging, die veroorzaakt werd door de wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer gepleegd. Gelet op het voorgaande dient volgens de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Naar 's hofs oordeel is niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding waartegen verdediging, al dan niet met gebruikmaking van een bougiesleutel, geboden was. In de eerste plaats merkt het hof in dit verband op dat beide partijen kennelijk uit waren op een confrontatie, waarbij het tot een schermutseling is gekomen. Geen der bij de gebeurtenis aanwezige getuigen bevestigt de versie van verdachte dat hij, zodra hij uit zijn auto was gestapt, met de vuist vol in het gezicht is geslagen door het slachtoffer. Daarnaast is er voor verdachte de mogelijkheid geweest om zich aan het gevecht te onttrekken door in zijn auto te stappen en weg te rijden, hetgeen ook door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is bevestigd. Ook als het verweer van verdachte zou slagen dat hij op enig moment in het gevecht, toen beide vechtenden probeerden de bougiesleutel te pakken, zodanig in het nauw werd gebracht dat hij zich moest verdedigen, geldt dat verdachte zich daaraan had kunnen onttrekken door niet achter de bougiesleutel aan te duiken -zoals hij zelf heeft verklaard- maar in zijn auto te stappen en weg te rijden.
Het beroep van de raadsman op noodweer kan derhalve niet slagen.
Dit brengt mee dat het beroep op noodweerexces eveneens faalt, omdat voor een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging vereist is dat die verdediging zelf noodzakelijk was, hetgeen het hof niet aannemelijk acht. Daarenboven is onvoldoende gebleken dat de afweerreactie het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door een daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding."
4.3 Uit deze overwegingen volgt dat het Hof de aan het beroep op noodweer ten grondslag gelegde feiten - voorzover inhoudende dat verdachte onmiddellijk nadat hij uit zijn voertuig is gestapt zonder enige aanleiding door het latere slachtoffer in het gezicht is geslagen, waartegen hij zich noodgedwongen moest verdedigen - niet aannemelijk heeft geacht. In dit kader kan er op worden gewezen dat het Hof een op 22 juli 2002 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [getuige 3] tot het bewijs heeft gebezigd, waaruit kan worden afgeleid dat juist verdachte degene is geweest van wie het geweld in eerste instantie uitging.(4) Dat verdachte op de zitting in hoger beroep een andere gang van zaken heeft geschetst neemt niet weg dat het het Hof vrijstond méér geloof te hechten aan die door de getuige afgelegde verklaring. Het middel ziet er in zoverre aan voorbij dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om binnen de door de wet getrokken grenzen zich op die delen van het beschikbare materiaal te baseren die hem uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomen en datgene terzijde te stellen wat hij van geen waarde acht. De wijze waarop de rechter deze beslissingsvrijheid, die niet alleen voor de bewijsbeslissing geldt maar ook voor andere beslispunten, invult behoeft geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht op meer dan op begrijpelijkheid worden getoetst.(5)
4.4 Uit de hiervoor onder 4.2 weergegeven overwegingen volgt dat het Hof tot de conclusie is gekomen dat verdachte er zelf voor heeft gekozen om een gewelddadige confrontatie met het slachtoffer aan te gaan. Door uit de auto te stappen en het latere slachtoffer agressief te bejegenen heeft hij zich dus willens en wetens in een situatie gebracht waarin de mogelijkheid bestond dat over en weer geweld zou worden gebruikt.(6) Het oordeel van het Hof dat de verdediging derhalve niet noodzakelijk was en de aanranding door verzoekers eigen handelen is veroorzaakt geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(7)
4.5 Voorts heeft het Hof terecht geoordeeld dat het feit dat verdachte zich niet op noodweer kan beroepen - omdat verdediging niet noodzakelijk was - tevens meebrengt dat ook het beroep op noodweerexces moet worden verworpen. (8) Dat oordeel draagt de beslissing zelfstandig.
4.6 Het middel is tevergeefs voorgesteld.
5. De middelen zijn tevergeefs voorgesteld en kunnen met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Vgl. HR 22 juni 2004, LJN AP0252; HR 15 oktober 2002, LJN AE5618; HR 17 september 2002, LJN AE4197; HR 26 februari 2002, LJN AD8877; HR 10 juli 2001, LJN ZD2893; HR 16 mei 2000, LJN AA5802; HR NJ 1999, 828.
2 Ik deel overigens niet de mening van de steller van het middel dat een herstelduur van 2 maanden onvoldoende lang is om te kunnen concluderen dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Zie bijv. HR NJ 2001, 99 waarin ten aanzien van een doorschotverwonding in het bovenlichaam van een verwachte herstelduur van "maar" zes weken werd gesproken.
3 Wél kan er op worden gewezen dat er weinig uitzicht bestaat op volledig herstel; [slachtoffer] heeft immers sinds het incident te kampen met een verminderd gezichtsvermogen.
4 Zie bewijsmiddel 4.
5 Vaste rechtspraak: HR NJ 1989, 747; HR NJ 1997, 388 m.nt. JR; HR NJ 1998, 171; HR NJ 1998, 318 m.nt. Sch.; HR NJ 2002, 329. Zie Corstens, 4e druk, p. 666.
6 Zie in dit verband Noodweer in het strafrecht (diss. VU), 1986, p. 653-655 en De Hullu, Materieel strafrecht, 2e druk, p. 320-322 en de daar genoemde jurisprudentie.
7 Hetgeen door het Hof is opgemerkt als reactie op het verweer dat verdachte op enig moment tijdens dat gevecht dermate in het nauw is gedreven dat hij genoodzaakt was [slachtoffer] met de bougiesleutel te slaan moet mijns inziens worden aangemerkt als een overweging ten overvloede.
8 Zie bijv. HR NJ 1957, 187 en HR NJ 1993, 691.