ECLI:NL:PHR:2006:AV2923
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van het una via-beginsel bij loonbelastingfraude en premiefraude door vennootschap onder firma en haar vennoten
De zaak betreft een vennootschap onder firma (v.o.f.) die in 1997 zwart loon betaalde, hetgeen leidde tot een strafrechtelijke vervolging van een vennoot wegens premiefraude werknemersverzekeringen en een bestuurlijke boete wegens loonbelastingfraude opgelegd aan de v.o.f. zelf. Het geschil draait om de vraag of het una via-beginsel, neergelegd in art. 67o AWR, toepassing vindt en daarmee het opleggen van een boete naast strafvervolging is uitgesloten.
Het Hof Arnhem oordeelde dat het una via-beginsel niet van toepassing is omdat de v.o.f. en haar vennoten niet als dezelfde persoon worden beschouwd en de strafrechtelijke vervolging en bestuurlijke boete verschillende feiten betreffen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verduidelijkt dat het feitsbegrip in art. 67o AWR eng is en dat de normadressaat van de boete en strafvervolging verschillend is. De v.o.f. is inhoudingsplichtige en rechtspersoon, terwijl de vennoot als natuurlijk persoon strafrechtelijk wordt vervolgd.
Daarnaast bespreekt de Hoge Raad de toepassing van het charge-moment voor de redelijke termijn van berechting ex art. 6 EVRM Pro. De Raad meent dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de strafrechtelijke vervolging van de vennoot niet ook een redelijke verwachting schept bij de v.o.f. dat zij bestraft zal worden voor loonbelastingfraude. Daarom wordt verwezen voor nader feitelijk onderzoek naar het aanvangsmoment van de redelijke termijn.
De Hoge Raad gaat ook in op de ATV-richtlijnen en de Richtlijn premiefraude werkgevers, en concludeert dat deze richtlijnen niet vereisen dat loonbelastingfraude en premiefraude op identieke wijze worden gesanctioneerd, noch dat de Inspecteur eerder dan wettelijk bepaald bekend moet maken welke sanctie wordt opgelegd. Het beroep van de belanghebbende wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek.
Uitkomst: Het una via-beginsel is niet van toepassing omdat v.o.f. en vennoten niet dezelfde persoon zijn en de feiten verschillen; de zaak wordt verwezen voor nader onderzoek naar het charge-moment voor de redelijke termijn.