ECLI:NL:PHR:2006:AV5220
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid bezwaar tegen naheffingsaanslag en boetebeschikking in fiscale procedures
In deze zaak staat centraal de ontvankelijkheid van bezwaren tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en de daarbij behorende boetebeschikkingen die in één document zijn vervat. Belanghebbende, X B.V., was strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van aangiften en kreeg naheffingsaanslagen en boetes opgelegd over de jaren 1993 tot en met 1997.
De Inspecteur verklaarde belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslagen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een motivering, terwijl het bezwaar tegen de boetebeschikking wel ontvankelijk werd geacht. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze beoordeling. Belanghebbende stelde in cassatie dat het bezwaar tegen de gehele aanslag inclusief boete geacht moet worden te zijn ingediend en dat een partiële niet-ontvankelijkverklaring niet mogelijk is.
De Hoge Raad bevestigt dat onder het huidige fiscale boeterecht, waarin boete en aanslag als afzonderlijke beschikkingen worden opgelegd, een bezwaar tegen de aanslag en de boete afzonderlijk op ontvankelijkheid beoordeeld kan worden. Dit betekent dat een bezwaar tegen de aanslag niet-ontvankelijk kan zijn terwijl het bezwaar tegen de boete wel ontvankelijk is. De Hoge Raad wijst op de wetsgeschiedenis en het belang van artikel 6 EVRM Pro, dat van toepassing is op boeteprocedures maar niet op zuivere belastingaanspraken. De conclusie is dat het huidige systeem een partiële niet-ontvankelijkverklaring toelaat en dat het bezwaar tegen de boete een volledige beoordeling van de grondslag van de boete vereist, inclusief de beoordeling van de aanslag waarop de boete is gebaseerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat bezwaar tegen naheffingsaanslag en boetebeschikking afzonderlijk op ontvankelijkheid beoordeeld kan worden en dat partiële niet-ontvankelijkverklaring mogelijk is.