ECLI:NL:PHR:2006:AX1092
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over liquidatie-uitkeringen en heffingsbevoegdheid bij emigratie vennootschappen
Belanghebbenden, aandeelhouders en bestuurders van vennootschappen die in 1996 naar België zijn verhuisd, ontvingen liquidatie-uitkeringen van hun vennootschappen. De Inspecteur rekende deze uitkeringen tot het binnenlandse inkomen op grond van de Wet IB 1964, met een tarief beperkt door het belastingverdrag Nederland-België. Het hof oordeelde dat het materiële besluit tot liquidatie was genomen toen de vennootschappen nog in Nederland gevestigd waren en dat de latere verhuizing geen fiscale gevolgen had voor de liquidatie-uitkeringen. Belanghebbenden stelden cassatieberoep in tegen dit oordeel.
De Procureur-Generaal concludeert dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de latere verhuizing van de vennootschappen en aandeelhouders geen fiscale consequenties heeft. Het hof paste het leerstuk van fraus conventionis toe, maar overtuigde niet met zijn motivering. De Hoge Raad moet beoordelen of de feitelijke leiding van de vennootschappen op het moment van de liquidatie-uitkeringen in België was gevestigd, wat bepalend is voor de heffingsbevoegdheid volgens het belastingverdrag.
De conclusie gaat uitvoerig in op het nationale heffingssysteem, de toepassing van het belastingverdrag op liquidatie-uitkeringen, en het leerstuk fraus conventionis. Ook wordt besproken dat tijdelijke verplaatsingen van de feitelijke leiding van vennootschappen niet zonder meer misbruik van het verdrag betekenen. De conclusie adviseert vernietiging van het hofarrest en verwijzing naar een ander gerechtshof voor nadere beoordeling van het moment van verplaatsing van de feitelijke leiding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en verwijst de zaak naar een ander gerechtshof voor nadere beoordeling van het moment van verplaatsing van de feitelijke leiding.