ECLI:NL:PHR:2006:AX6738
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omgangsregeling tussen vader en dochter na echtscheiding en detentie
De zaak betreft een geschil tussen voormalige echtelieden over de omgangsregeling tussen hun minderjarige dochter en haar vader. Het huwelijk werd in 1998 ontbonden, waarbij de moeder het gezag over de dochter uitoefent en de dochter bij haar verblijft. De vader heeft sinds april 2002 geen contact meer met zijn dochter en heeft meerdere verzoeken ingediend om omgang vast te stellen, die door de rechtbank en het hof zijn afgewezen.
De rechtbank en het hof baseerden hun afwijzing op de gronden van art. 1:377a lid 3 BW, waarbij werd geoordeeld dat de vader kennelijk ongeschikt is voor omgang en dat omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. De moeder stelde voorwaarden aan omgang, waaronder het ondertekenen van een verklaring bij het consulaat, waaraan de vader niet wilde voldoen. Het hof achtte de angst van de moeder voor de vader reëel, mede vanwege eerdere bedreigingen.
De vader stelde in cassatie dat het hof art. 1:377a BW en art. 8 EVRM Pro had geschonden, onder meer door onvoldoende motivering en het niet uitvoeren van een deskundigenonderzoek. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het verzoek terecht had getoetst aan de wettelijke ontzeggingsgronden en dat de afwijzing binnen de grenzen van het EVRM viel. Het hof was niet verplicht een nieuw onderzoek te gelasten nadat de Raad voor de Kinderbescherming het onderzoek had teruggegeven.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het uitgangspunt is dat het kind en de niet-gezagsouder recht hebben op omgang, maar dat dit recht kan worden ontzegd indien omgang ernstig nadeel oplevert of andere zwaarwegende belangen van het kind in het geding zijn. De afwijzing van het verzoek tot omgang was in dit geval gerechtvaardigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vader wordt verworpen, afwijzing omgangsverzoek is gerechtvaardigd.