ECLI:NL:PHR:2006:AY0198
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onttrekking aan verkeer van hennepkwekerijbenodigdheden ondanks termijnoverschrijding
In deze zaak gaat het om de onttrekking aan het verkeer van voorwerpen die zijn aangetroffen bij een hennepkwekerij. De belanghebbende werd onherroepelijk veroordeeld voor het handelen in strijd met de Opiumwet. De voorwerpen, waaronder kweekinstallaties en benodigdheden, werden in beslag genomen en later vernietigd. De Officier van Justitie vorderde op grond van art. 552f Sv de onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen.
De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde echter dat hoewel de termijn van ruim drie jaar en acht maanden onredelijk was, dit niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM leidde. Ook werd geen compensatie toegekend omdat de belanghebbende geen nadeel had ondervonden, aangezien de voorwerpen niet terug in het verkeer mogen worden gebracht.
Verder stelde de verdediging dat de voorwerpen legaal verkrijgbaar waren en dat vernietiging het mogelijk maken van onttrekking aan het verkeer uitsloot. De rechtbank en Hoge Raad verwierpen deze argumenten. De gezamenlijke voorwerpen waren van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd was met de wet en het algemeen belang. De vernietiging van de voorwerpen sluit een afzonderlijke rechterlijke beschikking tot onttrekking niet uit.
De Hoge Raad bevestigde dat art. 6 EVRM Pro ook van toepassing is op de termijn tussen inbeslagname en vordering onttrekking, maar dat niet-ontvankelijkheid van het OM niet volgt uit overschrijding. De rechtbank heeft haar oordeel begrijpelijk gemotiveerd en de middelen van cassatie werden verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de onttrekking aan het verkeer van de hennepkwekerijbenodigdheden ondanks de overschrijding van de redelijke termijn.