ECLI:NL:PHR:2006:AY8774
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over teruggeleiding van ongeoorloofd achterhouden kind onder het Haagse Kinderontvoeringsverdrag
Deze zaak betreft een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarig kind dat ongeoorloofd in Nederland wordt achtergehouden, ingevolge het Haagse Verdrag inzake internationale kinderontvoering (HKOV). De moeder had het kind meegenomen uit Hawaï, waar het kind en de vader gezamenlijk gezag hadden. De Centrale Autoriteit verzocht de rechtbank Amsterdam om teruggeleiding te gelasten.
De moeder voerde verweer met een beroep op art. 13 lid 1 onder Pro b HKOV, stellende dat terugkeer het kind in een ondraaglijke toestand zou brengen omdat zij als geregistreerde kinderontvoerder mogelijk niet meer de Verenigde Staten zou kunnen betreden, wat tot langdurige scheiding zou leiden. De rechtbank wees dit beroep af en gelastte teruggeleiding, maar het hof vernietigde deze beschikking en wees het verzoek af, stellende dat er een ernstig risico op langdurige scheiding bestond.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof. De Hoge Raad benadrukt dat de weigeringsgrond van art. 13 lid 1 onder Pro b HKOV restrictief moet worden toegepast en dat de aangezochte rechter niet mag anticiperen op mogelijke gezagswijzigingen in het land van herkomst. De Hoge Raad stelt dat de moeder de stelplicht en bewijslast draagt om bijzondere omstandigheden aan te tonen die langdurige scheiding rechtvaardigen. Het hof heeft dit onjuist toegepast en onvoldoende gemotiveerd. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest hof Amsterdam en verwijst zaak voor verdere behandeling wegens onjuiste toepassing van de weigeringsgrond en bewijslast.