ECLI:NL:PHR:2006:AZ2655
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid moedervennootschap voor garantstelling huurovereenkomst dochtervennootschap
In deze zaak staat centraal of Breda Industries B.V. zich garant heeft gesteld voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst die haar dochtervennootschap Breda Packaging B.V. met N.V. Interpolis Onroerend Goed is aangegaan. Breda Industries voerde aan dat haar bestuurder niet bevoegd was zonder medebestuurder deze garantie te geven en dat er sprake was van tegenstrijdig belang. De rechtbank en het hof oordeelden echter dat Breda Industries zich garant had gesteld voor zowel de koop- als de huurovereenkomst.
Het hof stelde vast dat de bestuurder van beide vennootschappen zelfstandig bevoegd was en dat Interpolis erop mocht vertrouwen dat de garantie namens Breda Industries was verleend. Breda Industries mocht tegenbewijs leveren, maar slaagde hier niet in. De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht geen ambtshalve toepassing gaf aan de regeling voor tegenstrijdig belang (art. 2:256 BW Pro), omdat Breda Industries dit niet voldoende had onderbouwd.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof binnen de rechtsstrijd bleef en dat de feitelijke aannames over de garantieverklaringen begrijpelijk zijn. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de aansprakelijkheid van Breda Industries voor de huurovereenkomst wordt bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en Breda Industries blijft aansprakelijk voor de garantstelling van de huurovereenkomst.