ECLI:NL:PHR:2007:AU6474
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van spontane betaling van inkomstenbelasting en rendementsgrondslag in box 3
Belanghebbende verrichtte in 2001 een spontane betaling van inkomstenbelasting over datzelfde jaar, voordat een voorlopige aanslag was opgelegd. Het geschil betrof of deze betaling een onverschuldigde betaling vormde en of zij in mindering kon worden gebracht op de rendementsgrondslag voor de vermogensrendementsheffing in box 3.
Het Hof oordeelde dat de materiële belastingschuld uit sparen en beleggen niet vóór 1 januari van het volgende jaar ontstaat, waardoor de betaling onverschuldigd zou zijn. De Hoge Raad verwierp dit oordeel en stelde dat de materiële belastingschuld in het kalenderjaar zelf ontstaat, rechtstreeks uit de wet. De betaling was daarom niet onverschuldigd.
Desondanks achtte de Hoge Raad het juist dat spontane betalingen binnen hetzelfde kalenderjaar buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de rendementsgrondslag, vanwege uitvoeringsproblemen en de wens tot vereenvoudiging. Dit betekent dat de betaling niet leidt tot een verlaging van de rendementsgrondslag, in tegenstelling tot betalingen op voorlopige aanslagen.
De Hoge Raad verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen tussen spontane betalingen en betalingen op voorlopige aanslagen. De conclusie was dat het beroep in cassatie ongegrond is.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard; spontane betalingen binnen het kalenderjaar verminderen de rendementsgrondslag niet.