ECLI:NL:PHR:2007:AX0774
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Waardering eigen woning voor successierecht na afschaffing 60%-forfait
In deze zaak staat centraal de vraag of binnen het begrip 'waarde in het economische verkeer' van artikel 21, lid 1, van de Successiewet 1956 ruimte bestaat om bij de waardering van de eigen woning rekening te houden met een waardedrukkend effect van bewoning.
De erflater overleed in 2002 en liet een woning na die door de erfgenamen werd betwist in waarde. De inspecteur stelde de waarde vast op € 200.000, terwijl belanghebbenden een lagere waarde aanvoerden, mede op basis van een waardedruk door bewoning van 22%. Het Hof oordeelde dat de waarde moest worden bepaald op de waarde in vrij opleverbare staat, zonder waardedrukkend effect van bewoning, en verklaarde het beroep ongegrond.
De conclusie van de Procureur-Generaal bevestigt dat sinds de afschaffing van het 60%-forfait per 1 januari 2002 de waardering van de eigen woning voor het successierecht plaatsvindt op basis van de waarde in vrij opleverbare staat. De jurisprudentie en parlementaire geschiedenis tonen dat de wetgever met de afschaffing van het forfait heeft beoogd een meer objectieve waardebepaling zonder waardedruk toe te passen. Eventuele maatschappelijke bezwaren tegen de heffing over de volle waarde behoren tot het domein van de wetgever.
De conclusie strekt tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep tegen het oordeel van het Hof dat de waarde van de woning moet worden gesteld op de waarde in vrij opleverbare staat, zonder waardedrukkend effect van bewoning.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de waarde van de eigen woning voor het successierecht wordt bepaald op de waarde in vrij opleverbare staat zonder waardedrukkend effect van bewoning.