ECLI:NL:PHR:2007:AY9194
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor het zonder vergunning opslaan van aardappelsorteergrond als afvalstof
De zaak betreft een BV die tussen 1997 en 2001 zonder vergunning een inrichting in werking had voor het opslaan van aardappelsorteergrond afkomstig van een fritesfabriek. Het hof verklaarde bewezen dat deze grond afvalstof was en dat de BV samen met een ander (de directeur-grootaandeelhouder) als medepleger optrad.
Bewijsmiddelen omvatten verklaringen van de vertegenwoordiger van de BV, milieu-inspecteurs en foto’s van de opgeslagen grond met rottende aardappelen. De aardappelsorteergrond werd door het fritesbedrijf als afval beschouwd en tegen betaling afgevoerd. Het hof oordeelde dat de grond als afvalstof moest worden aangemerkt, ook al kon het economisch hergebruikbaar zijn, omdat de houder zich ervan wilde ontdoen.
De verdediging voerde aan dat de grond geen afvalstof was maar een grondstof, dat de inrichting viel onder een vrijstelling voor akkerbouwbedrijven en dat er sprake was van rechtsdwaling. Deze verweren werden door het hof en de Hoge Raad verworpen. Het hof motiveerde dat de opslagactiviteiten zodanig omvangrijk waren dat de vrijstelling niet van toepassing was en dat de BV (mede) opzettelijk handelde zonder vergunning.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de juiste maatstaf hanteerde, dat het begrip afvalstof ruim moet worden uitgelegd conform Europese richtlijnen en dat het hof terecht oordeelde dat de BV strafbaar was. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde, omdat het OM discretionaire bevoegdheid heeft in vervolgingen. De opgelegde geldboete werd eveneens bevestigd.
Uitkomst: De BV is veroordeeld tot een geldboete van €10.000 voor het zonder vergunning opslaan van aardappelsorteergrond als afvalstof.