ECLI:NL:PHR:2007:AZ4066
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontruiming woning na overlijden huurder en medehuurderschap na stilzwijgen
De zaak betreft een geschil over medehuurderschap en ontruiming van een woning waar eiseres na het overlijden van haar moeder is blijven wonen. De moeder was de oorspronkelijke huurder, en eiseres woonde sinds 1989 in de woning. Na het overlijden van de moeder in 1997 bleef eiseres in de woning, maar haar verzoek om medehuurderschap werd door de verhuurder geweigerd.
De Gemeente en verhuurders vorderden ontruiming omdat eiseres zonder recht of titel de woning bewoonde. Eiseres stelde dat zij op grond van het oude huurrecht aanspraak kon maken op medehuurderschap en hoofdhuurderschap. Zowel de rechtbank als het hof wezen haar vorderingen af en stelden een ontruimingstermijn vast.
In cassatie werd betoogd dat medehuurderschap ook uit gedragingen of stilzwijgen van verhuurders mocht worden afgeleid, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit niet aannemelijk was gemaakt en dat expliciete uitlatingen juist het tegendeel suggereerden. Ook de redelijke termijn voor ontruiming werd door het hof terecht vastgesteld gezien de persoonlijke omstandigheden van eiseres.
De Hoge Raad verwierp zowel het principale als het incidentele cassatieberoep en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres werd verworpen en de ontruiming van de woning bevestigd.