ECLI:NL:PHR:2007:AZ4569
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verplichting curator tot onmiddellijke terugbetaling van onverschuldigde betaling aan faillissementsboedel
In deze zaak staat centraal of de curator verplicht is een onverschuldigd aan de faillissementsboedel betaald bedrag direct terug te betalen, zonder af te wachten op de afwikkeling van de boedel en met voorrang op andere boedelcrediteuren. BLG had na het faillissement van [A] B.V. een bedrag van € 50.826,36 per vergissing op de faillissementsrekening van [A] gestort. De curator weigerde dit bedrag direct terug te betalen en kwalificeerde de vordering als een concurrente boedelschuld.
De rechtbank Zutphen oordeelde dat de uitzonderingsregel uit het arrest Ontvanger/Hamm q.q. van toepassing is: de curator moet het bedrag terugbetalen omdat er geen rechtsgrond voor de betaling was en sprake was van een onmiskenbare vergissing. Het hof Arnhem bekrachtigde dit oordeel, waarbij het ook stelde dat een onmiskenbare vergissing zich niet onmiddellijk hoeft te openbaren aan de curator, maar pas nadat redelijkerwijs geen twijfel meer bestaat over het onverschuldigde karakter van de betaling.
De curator stelde in cassatie dat de Hoge Raad moet terugkomen van deze uitzonderingsregel en dat onverschuldigde betalingen aan de boedel als concurrente boedelschulden moeten worden behandeld. De Hoge Raad verwierp dit beroep, oordeelde dat de klacht een ontoelaatbaar novum bevat en bevestigde de gelding van de uitzonderingsregel. Tevens verduidelijkte de Hoge Raad de voorwaarden waaronder de uitzonderingsregel geldt, met name het belang van het ontbreken van een rechtsgrond die aanleiding gaf tot de betaling en het vereiste van een onmiskenbare vergissing.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de curator onverschuldigde betalingen aan de faillissementsboedel direct moet terugbetalen indien geen rechtsgrond bestond en de betaling het gevolg is van een onmiskenbare vergissing.