ECLI:NL:PHR:2007:AZ8511
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over intrekking verhuisboedelvrijstelling BPM en naheffingsaanslagen
Belanghebbende, een sporter, vroeg in 1999 vrijstelling van BPM aan voor twee personenauto's die hij vanuit Duitsland naar Nederland overbracht. De Inspecteur verleende vergunningen, maar stelde later dat belanghebbende onjuiste gegevens had verstrekt over zijn woonplaats, waardoor de vrijstellingen ten onrechte waren verleend. Naheffingsaanslagen werden opgelegd, die het Hof vernietigde omdat de vergunningen niet waren ingetrokken.
De Hoge Raad stelt dat een voorafgaande intrekking van de vrijstellingsvergunning niet strikt noodzakelijk is om naheffing op te leggen; de naheffingsaanslag impliceert de intrekking. Het Hof had moeten beoordelen of belanghebbende voldeed aan de voorwaarden voor vrijstelling, met name het woonplaatsvereiste van twaalf maanden in Duitsland.
Belanghebbende kon zich niet beroepen op het vertrouwensbeginsel omdat hij onjuiste informatie had verstrekt en al eerder een vergunning was geweigerd. De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor feitelijke beoordeling van de woonplaats. De uitspraak verduidelijkt de verhouding tussen intrekking van vergunningen en naheffing in het belastingrecht.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen naar een ander gerechtshof voor feitelijke beoordeling.