ECLI:NL:PHR:2007:BA0421
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over de vermelding van de vordering van het Openbaar Ministerie in het mondeling arrest
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad over de toepassing van art. 359 lid 1 Sv Pro, dat sinds 1 januari 2005 voorschrijft dat de vordering van het Openbaar Ministerie in het vonnis moet worden opgenomen. De zaak betreft een verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor diefstal, waarbij het middel van cassatie zich richt op het ontbreken van de vordering van de Advocaat-Generaal in de aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal.
De Hoge Raad stelt vast dat de Regeling aantekening mondeling vonnis van 1996 niet is aangepast aan de wetswijziging van 2005 en dat de Minister van Justitie nagelaten heeft de regeling te actualiseren. Desondanks concludeert de Hoge Raad dat het voorschrift van art. 359 lid 1 Sv Pro niet vereist dat de vordering van het OM ook in de aantekening van het mondeling arrest moet worden vermeld.
De Hoge Raad benadrukt dat de belangen die met de vermelding van de vordering in het vonnis worden gediend, niet zo zwaar wegen dat het ontbreken daarvan in de aantekening strijdig is met een goede procesorde. Bovendien wordt in het proces-verbaal van de zitting doorgaans wel vermeld dat de Advocaat-Generaal het woord voert en zijn vordering overlegt, waardoor indirect aan het voorschrift wordt voldaan.
Het middel faalt en het beroep wordt verworpen. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat de vordering van het Openbaar Ministerie niet verplicht in de aantekening van het mondeling arrest hoeft te worden vermeld.